1 NIEUWE VERHANDELINGEN VAN HET ZEEUWSCH GENOOTSCHAP DER WETENSCHAPPEN, V LT F D E DEE L. Ts M1DDELBVRG, su C. E. SCHUTTERS, DRUKKER VAN HET ZEEUWSCH GENOOTSCHAP DER WETENSCHAPPEN. INLEIDING. * eelvuldig is het nut, betwelk ons ? el ken dag van ons tegenwoordig leven , eene vlijtige.be-? oefening tier Wetenscbappen verscbaft. De kun g bij het pvogramma van 1810, aogmaalt tcr'btant^'odrtimg wierd ( 4 ) over hetwelke , hoe belangrijk ook, slechtswei-* nig scliijnt te wordon gedacht en gesprokeu; gelijk er ook , iminers zoo ver mij hekend is , slechts zeer weiuig over is geschreven (c). Ter nadere ontvvikkeling en bepaling van den 7in der prijsvraag zullen eenige aanmerkingen dienen te worden voorafgezonden , die knnnen s trek ken, om den weg te banen tot ecne or- denlijke en doelmatige bcantwoording. Ilet eerste lid der vraag: of er ^ namelijk , grand isjOjn te gelowen enz. , zon knnnen schij- tien te verlangen een nicer algemeen onderzoek naar a I den invloed, dien de beoefening der We- tenscliappen in dit leven zou kunnen liebben op de verbooging en vermeerdering van bet gelnk der gezaligden in bet toekomstige. Bij zulk een onderzoek zon dan ook natimrlijk in aanmer- Jking koinen al de uitwerking , welke de beoefe- ning der Wetenscbappen in dit levcn, op ons verstand en hart kan bebben, om ons bier aan- vankclijk voor te bereiden en meer vatbaar te makcn voor bet genot van de zaligheid des He- mels. Ilet zou te pas komen te gewagen van de (c] Ern "opzettclyk over (lit belangrjjke onJerwrrp gescTirevenC \eiltandeliag is mij niet voorgrkomen, Sleclits !nf"r en d;wr bcb \\ Ide ecne of amlcre wnk en aanmprkin^ l>rrrr! verfijning van gevoel voor het scboone, goede en edele enz. De invloed van dit een en ander , op on- ze gelukkige voorbereiding tot en verhoogde vatbaarbeid voor bet geluk der toekomstfge ecu- we, zou moeten worden aangewezen: en zeker zou dit belangrijke stof ter bebandeling opleve- ren ; doch bet blijkt reeds eeiiigzins uit bet tweede lid der prijsvraag zelve (e) , en wordt door het programma van 1819, buiten alien twijfel gesteld, dat bet doel van bet Zeenwscli Genootscbap meer bepaald is , daar bet Genoot-r scliap niet dit mcer algemeen onderzoek ver- langt, maar alleen wil bebben nagegaan, of er grond is om te gelooven , dat de bier door ons beoefende Wetenscbappen , ons , ook nog als gezaligden, in den toekomstigen gelukstaat sul- len bijblijven , en dan meer regelregt medewer ken tot vermeerderittg van ons geluk (/). * Daar (rf) Ingenuas didicisse fideliter artes emollit mores etc. (e] Jict verlangt trouwens alleen te zien aangewezen , welk uut men , aan gene zytle des gi*afs \an de aanvankelijk r door de boe- fening der Weterisch;ippen , aangeleerde kennix , en niet van der- zelver iayloed tot vorming van ons verstand en hart , ma^ hopen. (/) Sijblijvtn , nainelijli , als de grondslagen onzer verdrr te ver- < .6 ) Daar de vraag niet bepaalt, of zij verlangt, dat men dien grond zal zoeken in de Heiligo Schriften , of in den aart der zaak , door mid- del van gezonde wijsgerige nasporing en rede- neriugen, schijnt het mij toe, dat men zich, bij der'zelver beantwoording T mag bedienen zoo wel van Bijbelsche, als uit de reden afgeleide be- wijzen. Te meer scliijnt bet mij blijkbaar , dat ineii zich, naar bet doel des Genootscbaps , ook van Bijbelscbe bewijzen bij dit onderzoek mag fecdienen y om dat bet programma van 1819 ket niet wraakt , in de eene in 1818 ingezon- dene maar met bekroonde, verbandeling op on- te prijsvraag, dat derzelver scbrijver zicb van den Bijbel bij zijn onderzoek beeft be- diend (g). Verpligten Bijbelscbe en andere bewijzen ons, <>ta een stellig antwoord op het eerste gedeelte der Wrkrijgcn kunde , als Iiulpmiddelen tot bet msiken van meerderc vorderin^en in kenuis ea welenschap en als voorvvcrpen v.m onze Toortdurende belangstelling , kennisneming en beoefening : en me dewerken ter bevorderlnu; van ons geluk , door te blijven invloei- Jen op de verlichting van ons verstand , onze opleiding tot God en zijne dienst , onze vorming tot deugd en de vermeerdering van ons gcnocgen. (^) Integendeel het programma prijst liet in den schrijver , dat fiij in zijne verbandeling zijne Cbristcli/ke bcginselen bebbe dpcn Hoorfitralen , en keurt alleeu af ?.yn fe veclvitldig gebruiken van Schriftuorplaats-en. ( 7 ) der vraag te geven, dan moet er iterder den onderzocht, welke die wetenscbappen zijn , van welker aanvankelijke kennis men zicb, ook aan gene zijde des grafs, de meeste zalige gevolgen mag beloven. Een ruim veld zoude men zicb, bij het be- liandelen van dit tweede gedeelte der vraag ge- opend zien , om uit te weiden over bet nut , betwelk men, ook nog in den Hemel, mag verwacbten van de bier aanvankelijk verkrege- ne kennis van God en zijne dienst. Docb b*t Genootscbap verlangt niet, dat men bier over vutweide , maar meer , dat men de zekerbeid en uitgebreidbeid van dit nut veronderstelle , in>- mers , slecbts als in het voorbijgaan , aanwij*- ze. Ook dit blijkt reeds uit de prijsvraag zel- ve en wordt nog daarenboven duidelrjk genoeg gezegd in bet programma van 1819. Zoo ik mij niet bedriege , worden evenwel bierdoor m'et uitgesloten die Wetenscbappen , welke kuh~ nen beoeiend worden met bet meer bepaalde doel, om ons op te leiden tot de kennis van God en zijne dienst, door de bescbouwing vaa zijne wijsbeid , magt en goedheid , zoo heerlijk in zijne Schepselen en in zijn wereldbestuur tea toon gespreid, maar die ook afgescbeiden Tan dit doel kunnen worden beoefend en beschouwd, nog minder, dan men behoeil uit te wet* den ( 8 ) .den over het bijblijvend nut van de kennis van r God en zijne dienst in een volgend leven , be- hoeft men zich , naar het doel van het Genoot- .schap, in te laten met bewijzen voor de zeker- lieid onzer verwachting van een volgend leven en deszelfs zaligheid. DC prijsvraag veronder- stelt het als bewezen, dat er, ook nog aan ,gene zijde des grafs, leven en zaligheid voor cms tc hopen is. Eindeli/ky schoon de prijsvraag, natmirlijk, niet vaststelt, welk eene slotsomme het onder- zoek , hetwelk zij verlangt , moet opleveren , schijnt het echter , dat men , bij de opgaaf der prijsstof meer op eene voor de Wetenschappen -gunstige, dan ongustige slotsomme heeft gere- kend; daar het tweede deel der vraag alleen eene verdere nasporing verlangt ingevalle het eerste niet ontkennend beantwoord wordt. Meer voorloopige aanmerkingen schijnen mij niet noodig ter ontwikkeling en bepaling van den zin der voorgestelde prijsstof, welker be handeling zich van zclfs vcrdeelt in twee hoofd- deelen , immers iridren , gelijk het Genoot- schap schijnt te verwachten , op bet eerste gedeelte der vraag een stellig en toestemmend antwoord volgt. Het eerste , narnelijk, moet bevatten een onderzoek: of er grand is, orn te gelooveu ) dat de in dit leven ( 9 ) WetenscJiappen ook, in Jiet toekomerid leven^ tot vermeerdering van den gelukstaat der ge zaligden zullen kit/men dienm ? en blijkt het , dat er grond is voor dit geloof, dan moet het tweede hoofddeel dienen , om iiader te onder- zoeken : welfce die Wetenschappen zijn ? waa^r op de mensch , naast de kermis van God' en zijne dienst, zich in dit lev en voor at behoort toe te leggen, om van derzelver aanvajikcli/ke kennis , ook aan gene zi/de van het graf, de zaligste gevolgen te kunnen hopen? In deze or- de ga ik dan nu over tot de behandeling der zoo belangrijke prijsvrage. Het gelukke mij slechts eenigzins al de gewigtige stof , welke zij ter overweging aanbiedt 5 behoorlijk teontvouwen en naar der zelver hooge waarde voor te dragen ! Zelfs gevoele ik , wat ik wage met dit te beproe- ven en dat ik , bij het voornemen daartoe, meer met mijnen goeden wil en mijne zuclit voor de Wetenschappen, dan met mijne krachten , te rade ga. Ik wil mij evenwel door dit gevoel niet laten afschrikken. Hoe ook het oordeel van de bestuurders van het Zeeuwsche Genootschap , over het wel of kwalijk gelukken mijner po- ging moge uitvallen , voor mij zelven ten min-r ste kan zij niet vruchteloos zijn. EERSTE HOOFDDEEL. Onderzoek , of er grond is voor het geloof, dat fie in dit leven beoefende Wetenschappen , ook in het toekomend leven ? den ge- zaligden zullen bi/bli/ven en me- dewerken ter verfwoging hun- zcdigheid. JLraar het onderzoek, aan het welke dit hoofdr- deel moet \vorden toegewijd, op eenen wijs- gerigen voet kan worden ingerigt, en bij het* zelve tevens het Bijhelsch onderwijs mag wor- den geraadpleegd , zal ik eerst opgeven, welke hewijzen er nit den aard der zake, door een wijsgerig gebruik onzer reden , kunnen worden ontleend en welke bewijzen ons de Heilige Schrift oplevert, om vasttestellen , dat er grond is om te gelooven enz. Fervolgem zal ik de zwa- righeden, welke men uit het onderwijs der re- den en des Bijbels tegen dit geloof zou kunnen aanvoeren, voorstellen en doen zien van welk gewigt wij die hebben te achten. Zoo zal het blijken of er op het eerste gedeelte der prijs- tfraag een toesteramenii of ontkennend antwoord moet **"? moet \vordeti gegeven. Op deze wijze schijnt het mij , dat het gezegde onderzoek het on- partijdigst, geregeldst en volledigst zal kun- nen afloopen , en durf ik mij vleijen , dat hetzel- ve zoo veel belangrijke stof zal opleveren , dat geen wijsgerig Christelijk beoefenaar der We- tenschappen zich ligt zal beklagen den tijd en de inspanning aan derzelver overdenking te kos- te gelegd. i Uit den aart der zake sehijnen er verscheide- ne bewijzen te kunnen worden afgeleid, om ons te overtuigen , dat er stellig kan en moet wor-> den geantwoord op het eerste gedeelte van de prijsvraag en dus vastgesteld, dat er alleszins voldoende grond is om te gelooven , dat de hier beoefende Wetenschappen en aangeleerde kun- digheden den gezaligden in den Hemel zullen bijblijven ter vermeerdering en verhooging van him geluk. In de eerste plaats , toch , verwekt het reeds een gunstig vermoeden voor dit geloof , dat er in hetgeen hetzelve ons doet verwachten veel overeenkomst (analogic) is met hetgeen wij reeds hier op aarde ondervinden. De ondervinding leert ons , namelijk , dat de lievelingsoefeningen onzer jeugd doorgaans , ook nog in rijpere jar en onze lievelingsbezigheden blij- blijven, het meest geschikt om ons., op eene aangename wijze bezig te liouden , ons uitspan- ning te verschaiFen en ons velerlei genoegens te doen smaken. Onze omstandiglieden mogen , met het toenemen onzer jaren , eene aamerkelij- ke verandering ondergaan ; aan een vast be- roep gebonden, mogen de bezigheden van dit beroep onzen meesten tijd vorderen ; toegenomen in kennis en wijsheid , mogen wij gescliikt zijn geworden voor diepere nasporingen en meer af- getrokken denken ; opgeklommen tot meerder eer en aanzien , mogen wij ons in eenen kring van verkeering en werkzaamlieden Levinden, welke minder schijnen.te strooken met liet gecn voor onze jongelings-jaren paste ; doch welke ver- anderingen van omstandigheden wij ook mogen ondervinden, hetgeen, ons in onze jeugd met ge- noegen bezig hield blijft niet zelden, ons gan- sche leven lang, handhaven de plaats, welke het eenmaal besloeg in onze belangstelling, en liet genoegen , hetwelk wij , in onzen vroege- ren leeftijd, van hetzelve ondervonden, scliijnt niet zelden eer toe te nernen , dan te vermindc- ren, met ons vorderen in jaren. De spelen en uitspanningen onzer jengd kunnen wij ons Joor- gaans niet alleen met de aangenaamste gewaar- wordingen herinneren , maar , ten minste som- mige van dezelve , kunnen wij ook nog , met het le- levendigste genoegen , van tijd tot tijd bervat- ten nadat wij mannen geworden zijn. De dicbt-, scbilder- of toon-kunst , aan welke wij , bij voorkeur, in de jaren onzer oefening en voor- beieidiug, de uren onzer uitspanning wijdden, blijven niet zelden de gescliikste en meestge liefkoosde middelen tot ontspanning van onzen geest van de vermoeijenissen , welke de druk-- ten van ons beroep ons veroorzaken. Die tak- ken van studie , welke , bij het eerste out waken en ontwikkelen van onze verstandelijke vermo- gens , door ons bij voorkeur en met ingenomen- beid zijn beoefend , blijven doorgaans in die voorkenr deelen , en worden ons geheele leven lang door ons beschouwd en beoefend met de meeste deelneming. De gescliiedenis levert bier- van zulk een aantal voorbeelden op, dat wij aan de waarbeid dezcr opmerking niet kunnen twijlelen. Mannen trefien wij aan in bare ge denkrollen , opgeklommen tot de hoogste amb ten, verbeven tot vorstelijke waardigheid, met koninklijke eer bekleed , die , in den kring van vertrouwde vrienden , de genoegelijkste verpoo- zing zochten en vonden in dezelfde beziglieden en uitspanningen welke ben als Jongelingen ver- maakten. wStaatsmannen van naam, tot in hun- nen ouderdom toe, met jeugdig vuur de dicbt- en toon--kuiist feeoefepende en bij dezelve vin- * den- dende de aangenaamste verademing voor hun~ pen, door staaLszorgenafgesloofden, geest: Ge- leerden van den eersten rang, steeds met het grootste vermaak een uur wijdende aan min af~ getrokkene en verhevene letterkundige bezig- heden of eenige andere gelief koosde studie hun- ner jeugd. En geen wonder. De herinnering van onzen vroegeren leeftijd en der genoegens in denzelven gesmaakt heeft lets zeer aantrekke- Jijks voor ons, verlevendigt bij ons velerlei aangenaine gewaarwordingen , en die herinne- ring wordt bij ons opgewekt bij het hervatten of herdenken van hetgeen ons in dien leeftijd het meest vermaakte. De lievelingsoefeningen on~ zer jeugd , hebben onze eerste liefde genoten en de levendige aandoeningen onzer vroegere ,ja- ren , hechten zich zoo vast en laten zulke die- pe indrukken achter in onze ziel, dat zij ons bijblijven tot aan onzen dood. De vaardigheid daarenboven die \vij in deze oefe- iiingen hebben verkregen door het vuur en de lust , \vaarmede wij ons in onze jeugd aan de- zelve hebben overgegeven , maakt ons dezelve pok nog in onzen ouderdom zoo gemakkelijk, dat wij met genoegen en tot onze uitspanning een uur aan dezelve kunnen besteden. Hoezeer wij ons dan ook onzen toestand in het- het volgend leven als verhoogd en verbeterd mogen voorstellen , wij behoeven het niet als strijdig aan te merken , maar moeten het veeleer als strookende met onze tegenwoordige onder- vinding beschouwen, datde, hier door ons aan^- geleerde, Wetenscliappen ons, ook nog in dien toestand, zullen dienen tot vermeerdering van ons geluk ! Ja wij zullen dit zeer waarschijn- lijk moeten achten , wanneer wij ons tegenwoor*- dig leven beschouweti , als staahde in eene ge- lijksoortige betrekking tot het volgende, als waarin onze jengd en jongelings-jaren staan tot onzen meergevorderden ouderdom. Onze jeugdige jaren, namelijk, zijn de tijd onzer voorbereiding tot de bezigheden en genie- tingen van onzen mannelijken leeftijd , en in dezelve moeten wij ons vatbaar maken voor een nuttig mannelijk leven en eenen gezegendeit ouderdom. En zoo moet ook ons tegenwoordig leven dienen , om ons voor het volgende te reiden , en de grondslagen te leggen tot het Ink , hetwelk wij hiernamaals hopen te genieten* Ondervinden wij dus, dat hetgeen wij hebbeu aangeleerd en beoefend, met lust, in die jaren , welke door ons moeten worden besteed , om on^ zen verderen leeftijd nuttig en gelukkig te slij~ ten, geheel ons leven lang ons genoegen blijft ver- (iG) vermeerderen , dan mogen wij daaruit ook met waarschijnlijkheid besluiten , dat de Wetenschap- pen , welke wij gedurende den tijd onzer voor- Lereiding voor de eeuwigheid hebben beoefend , ons ook nog in den Kernel zullen kunnen bij- hlijven en ter verhooging onzer zaligheid me- dewerken: immers in zoo verre, als dit niet volstrekt onbestaanbaar blijkt te zijn met de Lezigheden en genietingen , welke eenmaal die zaligheid zullen uitmaken. herder , wij knnnen ons geen volgend leven voorstellen zonder de bewustheid en het gevoel , dat wij dezelfde zijn, die wij in een vorig leven hebben bestaan en zijn werkzaam geweest. Ver- loren wij toch in de eeuwiglicid dat gevoel , die Lewustheid, dan zou voor ons alle betrekking tusschen tijd en eeuwigheid ophouden, wij zou- den ons geluk of ongeluk in de toekomende we- reld niet kunnen beschouwen, niet genieten of dragen als het gevolg van ons bestaan en gedrag Op het tegenwoordige. Het zou voor ons niet zijn , als of wij bleven voortleven , maar veeleer als of wij bij onzen dood vernietigd wierden, en vervolgens weder als geheel andere wezens te voorschijn kwamen. Alle denkbeeld van be- looning } straf en verantwoordelijkheid zou geheel wegvallen. Zeker is het dus , dat wij , bij het gen(5t Vaii de zaligheict dies tbefeorhstigeh le- yens, ons steeds zullen blijvcn herinnefen o'ni aardsche leven en deszelfs bezigheden. Hoe groot ook het gel uk' mbge zijn ; hetwelke wij een~ maal gemeten, de lierinnering zal ndoit kun- nr,n- worderi verdrongeh door de nieuwe werk- zaamhederi en genietingen j welke ons zoo ge~ hikkfg zullen tnaken , de nieuwe vtiorfoerpen > welke ons zullen omringen, de nieuwe betrek- kingen, -welke wij zullen aanknoopen, het ge zelscliap, in hetwelk wij ons bevinden en de -Yoorujtzigten op steeds toenemende zaliglieid , welke ons 'besteiidig ,ziillen verblijden. Want %velk en hoe groot'.. eeri geluk wij ons mogen -voorStellen j liet zoude voor ons, die wij nule^- ven ? geene iWivarde kunnen liebben , zoodra wij tusschen hetzelve en onze tegenwoordige red- lijke en zcdelljke . ontwikkeling alle yerband zagen ophoudcn ; door liet vciiies van het ge-i voei ? dat wij (lezelfde waren en 'b ley en en van de bewustheid, dat en hoe wij op deze aarde leefdeii. Geeri twijfel kan efr dug iijn , of wij zullen er ook in denHemel aaii blijven denkeri^ line ons vcrstand zich bier heeft ontwikkeld^ lio'e'wij daar door van trap tot trap in klllidig- heden zijn toegenomen ? en welk eenen invloed de Wetensehappen en de kennis, docrr derzel- Ver beoefening verkregen 3 hebben gehad o'p do ( *) vdrming van onzen Geest. En zal ons de ge- heugenis der hier op aarde aangeleerde kundig- heden en Wetenschappen in den Hemel bijblij- ven, dan zullen dezelve ook medewerken ter verhooging van onze zaligheid: zeker ten min- ste, wanneer wij ons niet zullen beboeven te venvijten , dat wij den tijd kwalijk hebben be~ steed , dien wij aan het aanleeren van dezelve hebben te koste gelegd , niaar wij ons zelven in- tegendeei de getuigenis zullen kunnen geven, dat wij dien tijd nuttig en overeenkomstig onze Lesteniming als redelijke en zedelijke wezens hebben doorgebragt. Ja, niet alleen zal ons dan de heilzame invloed, dien onze vlijtige be- oefening der Wetenscliappen op ons heeft ge*- had , om ons , naar verstand en hart , zoo te vormen , dat wij vatbaar wierden voor het genot van hooger geluk , ^dierbaar blijven en steeds voor ons zijn een bron van bet zuiverste genoe-^ gen : maar ook de aangeleerde Wetenschappen en kundiglieden zelve zullen ons steeds belang- rijk blijven en een genoegelijk aandenken op- leveren , als de middelen , welke hebben mede- gewerkt tot onze zaligheid ; en ook zoo zullen zij ons geluk blijven bevorderen. Veelligt zelfs jiog meer regelregt, doordien wij zullen blijven voortgaan, in den Hemel onzen tijd en vlijt te koste te leggen aan de vermeerdering van onze ken- 19 ) kennis, door de beoefening van diezelfde We- tenschappen , welke wij ons zullen herrinneren hier op deze aarde ons van het grootste nut te zijn geweest. Dienzelfden invloed toch , dien zij hier op ons hebben gehad , kunnen wij ei veelligt ook biernamaals van ondervinden , en de bewustheid van het voormaals ondervonden nut en genoegen , bij het aanleeren dier We- tenschappen en het verkrijgen van derzelver aanvangelijke kennis , kan ons aansporen, om ons bij voortduring op dezelve toe te leggen 5 immers in zoo verre onze veranderde oinstan- digheden zulks zullen toelateu. Hoe ver wij het ten minste ook in eenige wetenschap , welke ons ook dan nog belangrijk zal kunnen voorkomen, wanneer onze aardsche betrekkingen en bezig- heden zullen hebben opgehouden , mogen ge- bragt hebben , welk eenen schat van kundigbe- den wij ook mogen hebben opgezameld, nog veel meer zal ons zeker , zoo lang wij op deze aarde zijn, overschieten om te leeren, dan W'g reeds hebben aangeleerd. De bewustheid van het gebrekkige en onvolledige van onze kennis wordt zelfe te levendiger , naar mate wij groo- tere vorderigen hebben gemaakt, en het vak, in hetwelke wij ons oefenen, meer waardig is onze vlijt en de inspanning onzer vermogens. Die bewustheid verzell ons almede ^eker ii* de an- ! wereld. Daar mogen wij ohs voorstel- ien, dat zij ons zal aandrijvcn, om hoe Linger zoo mcer er naar te streven, om liet gebrekki- gc te verbeteren en het onvolledigc aan te vul- len. Onze ziel , meer vrij in ha,re wcrkingett en minder bcperkt in liet gebruik van hare ver- mogens door den vaak zoo ])elemmerenc]en in- : ' . . > ' '' vlocd dps ligchaams ? zal zicli daarloe ook m,eer in staat gevoelen. Elke nieuwe yqrdering za* ons in staat s.tellen om verdcr voort t? gaan en feleeenlieid geven , om meer te ondervinaen dcn b . o y ' ' '"'-,- eilzamen invlo.ed der. door ons Lcpcfende We- tenscliappen : en zoo mogen wij ons ])eloyen t dat zij ons in den, Herhel zull.cn LijLlijven om 'mede te werken aan de verliooefinff van onze za~ , . _ . . P ". Ijgheid. . . - In de derde plaats scliijnt het eenen goeden. grond voor deze verwachting op te leverea , dat wij ons de Leoefening der W etenscliappen en den tuekomstigen gelukstaat als van gelijkeu aart , Leide als geestelijk heKben. voor te stelr. len, en dus wel bij elkanderen passende; rcgt -met elkanderen strookende. Het is waar fofj .liiet beoefenen der Wetenscliappen en liet aaiirr- |eeren van kundigl-icden hebben wij , geduren-r- .de ons aardsche leven, de zintuigen en leden yan ons ligchaam noociig. Qnze ?intuigen ziju toch ? (ai ) tocb, zoo al ni<;t do eenige, ten minste At voornaamste wegen , langs welke onze kennis tot ons komt; Wij zien met onze oogen vele voorwerpen , met weJke wij ons zoeken bekend. le maken en lezen met dezelve de gescliriften welke over wetensciiappelijke.onderwerpen zijn geschreven. Met onze ooren hooren wij liet mpn- delijk onde r wij s ? lietwelk wJj ontv^ngen ; on welke gewiglige (iiensten bewijzen ons verder onze zinncn in tallooze opzigten hij Let streven naar uitLreiding en Yernieerdering yan onzeken*- nis. De leden van ons Jigcliaain ? als handen ? voeten enz. hcLLen wij 'noodig bij hot gebrui-? ken of yervaardigen van wcrktufgen en bet ncv men van protven y tot de beoefening van na-. timrktindige en andere Wetenscliappen noodza- kelijk. \Vij kunnfen -er ons zelfs wel naauwe*. lijks eenig !bcgrip r van -vorincn , lioe wij den kring onzer Jtrt&i$ zouden kunnen nitbreiden ^ zonder belnilp van ons ' Ifgcliaam niet deszclfs zintuigen eii leden. Intdssclien Llijft bet ecbter onze geest, die bij de beoefening der Wetcn- schappen voornainelijk werkzaam fs en van der-r 'zelver vrucbten bet genot beeft. Het is bet gerr beugen , betvvelk de verkregene kundiglieden opgaart en bewaart, en ons zoo in staat stelt , om van de beginselen voor te gaan tot meerde- ye volkomenhei4. Het is de verbeeldingskracht, S die (**) het aangeleerde en in het gehengen bewaar- de uitbreidt en verfraait,terwiji het oordeel het- z,elve scliikt op zijne juiste plaats , schat op zij~ He regie waarde , en er ons het regte gebruik van leert maken. Onze ziel is het, die door hare redelijke en zedelijke vermogens ons vat- Laar maakt voor de bovenzinnelijke genoegens, welke wij smaken, wanneer wij vorderingen maken in nuttige kennis , wanneer wij zoo den kring onzer werking kunnen uitbreiden fn Le- vorderlijk zijn aan het algemeen en ons bijzon- der welzrjn , genoegens van onberekenbaar meer waarde , dan het fijnste en, streelendste zingenot ian opleveren. Werkzaamheden en genot zijn _dus bij de beoefening der wetenschappen beide, ten minste in zoo verre , van eenen geestelrjken aart, dat beide onmogelijk zouden zijn, zoo het niet onze ziel was , die er ons geschikt en vat- baar voor maakte , en dat het bij beide vooral op haar aankome. Ja , schoon wij ons naauw- Ujks eenig begrip kunnen vormen van de wij- ze hoe? waarop wij , zonder behulp van de iintuigen en leden van ons ligchaam , vorderin- gen in kennis en wetenschap zouden kunnen ma- ken , behoeven wij het ons echter ook niet als onmogelijk en ongerijmd voor te stellen , dat dit zou kunnen plaats hebben. Integendeel hebben wij dit voor hpog^twaarschijnlijk te achten , en daar daarwijons tiu ook den to^komstigeirgelukstaat , ente regt, voorstellen als van eenen geestelij- ken aart, zoo wat deszelfs werkzaamheden , als wat deszelfs genoegens betreft, kunnen wij de beoefening der Wetenschappen niet anders , dan wel Lij denzelven passende en volkomen mfct denzelven strookende oordeelen, en kunnen wij het niet zonder grond verwachten, dat de aan- geleerde kundigheden ons , ook bij het genot van het geluk des Kernels , zullen brjhlijven eft kunnen dienen tot vermeerdering van onze za*- ligheid. Ongerijmd zouden wij het zeker mo~ gen noemen , wanneer men het dichterlijk ta~ fereel, hetwelk VERGILIUS (7?) ons schetstevan de verrigtingen en genie tin gen van de geluk ki- ge bewoners van de Elyseesche velden wilden laten gelden als eigenli|k gezegde waarheid^, en de zaligen in een volgend leven zich latefc vermaken met ligchamelijke bezigheden en lig- chamelijk genot , de schaduwbeelden van bun* ne wapenen, paarden , wagenen enz. Onge^- rijmd moge het almede kunnen heeten ^ zich den geestelijken gelukstaat des Kernels voor te stellen als een Paradijs van MUHAMMED, vol van zinnelijke genietingen (/); ongerijmd zai men (A) Aen. L. VI v. 63y scqq. (} Verg. OELSKER efiets de la relf. de MOHAMMFB p. 59 sniv. en ,inen het -zekef niet kunnen OOrdeelen, zich te Leloven* dat de werkzaainheden van onzen geest > welke tot de beoeferjjng der Wetcnschap- pen vcreischt wo'rden $ en dat geestelijk genot, hetwclk zij oplevert, zullen hl-ijven voortduren eh hiedewerken tot vcrhooging van ons geluk in den toekomstigen geeslclijkeil gelukstaat: Nog tneer* BlijkLaar Lehoo'rt het tot onze fedelst^ b'eziglieden de Wetenschappen 16 heoefe- nen , en zbo onzen geest te verrijken en ver- sieren met eenen schat van kundighetkn. Wfj handhaven daardoor onze waarde en voortrelle- lijkheid boren alle de overige Seliepzelen van den aardbodetti , onder tvelke er niet eeh gevon-- den wordt, in Staat tot dcz'e eclele bezigheici. Tot dezelve worden onze edelste vermogens ver 4 - eischt , gelijk zij ook de zuiyerste en edelste ge- nietingen opleverfc. De invloed , welken de beoefening der We- 1 tenschappen beeft op onze geest bewijst, dat ij ten voile j en boven andere bezighedeni overeenkomt met onze verhevene bestein- ming als menscben. De algemeene aclitingj zelfs van o'ngeletterden , volgt dan ook steeds den ijverigen en gelukkigeh bcacConaar der We- tenschappen, en men houdt bet a]gemeen daar- Voor , (( dat bij zich iets voortreffelijks verwor- : ven heefl , die in dat gene , waarin de men- (c scherf schen de bees ten overtreffen , boven de men- (c schen zelve iiitmunt"{). Hem daarentegen, die , in de gelcgenlieid gesteld en van de midde- len voorzien , cm zich kundigheden te verza- melen en scliatten van kennis op te doen, die gelegenheid veizuimt, die middelen verwaar- loost, wordt alle achting naar verdienste ont- zegd , en men keurt het algemeen schandelijk geenen lust tot wetenschappen en achting voor derzelver Leoefeningte butoonen. Vermoedelijk is het dus zeker niet, maar veeleer hoogston- waarschijnlijk , dat, dan, wanneer wij eerst regt ztillen Leginnen te leven , en , na onzen dood , verplaatst zijn in de gelukkigste omstandighe- den ? het geen \vij ohs in dit leven hebben v.er- worven, in die uren, welke wij op de edelste en meest met onze waarde overeenkomstige wijze hebben doorgebragt, ons zal ontvallen: hoogstonwaarschijnlijk is bet, dat dan zullen ophouden die oefeningen, die ons bier het meest -hebben versierd en veredeld, of alien invloed verliezen op de bevordering van ons ge- luk. Ver verlicven zullen wij ons dan zeker gevoelen boven zoo vele beuzelingen, met wel- ke wij ons bier hebben bezig gehouden en ver- maakt. Alle waarde zullen dan voor ons ver- 4. lo- (k] Woordcn door Cicero tot lof dcr wclspfekcnheid De invent : L. I. C. 4. loren hebben alle werkzaambeden , uitspanningen en genietingen, welke, minder edel van aard , alsdari onze belangstelling niet zidlen kunneu opwekken , maar met dezelfde onverschilliglicid en minacbling door ons znllen worden bescbouwd, met welke wij als mannen op het speelgocd en de dwaasheden der kinderen neerzien. Dochlioe zoude het ons immer waarscbijnlijkkunncn voor- komen dat hetgeen bier, met aller toestemming en op goede gronden , wordt aangemerkt als be- boovende tot onze edelste en waardigste bezigbe- den , in eenen toekomstigen staat van geluk ge- beel zoude opbouden belangrijk te zijn eri mede te werken om ons te veredelen en gelukkig te maken? Het is waar, de wetenscbappelijke oefeningen van de eerste jaren onzcr jeugd be- boorden in die jaren , ook , wat werkzaambeden en genot betreft, tot de edelste bezigbeden , met welke wij ons konden onledig bouden , en tocb kunnen die , in onzen mannelijken leeftijd en na bet maken van aanzienlijke vorderingen in ken- nis en wetenscbap niet meer voor ons gescbikt geacbt worden. Even zoo zoude men kunnen meenen , dat wij ook in den toekomstigen geluk- staat de tegenwoordige beoefening der weten- scbappen, boe edel ook tbans door ons te acb- ten , en de , door dezelve , aangcleerde kundighe- den, als bet ware geheel zouden kunnen ontwas- sen sen zijn, Docli hoe zeer het ons, als geoe- fende mannen, even min zoude passen, als het ons nuttig zoude zijn en tot bevordering van ons geluk dienen, dat wij ons, als kinderen, bleveu bezig houden met het leeren noemen en uitspre- ken van letteren , spellen en lezen van woorden y en wat diergelijke zaken meer zijn, die de be-J- ginselen van alle wetenschappelijk onderwijs uitniaken; die beginselen zijn en blijven echter de grondslagen , op welke wij alle verdere ken- nis, hoe liitgebreid ook, moeten bouwen. Het geen wij van dezelve hebben aangeleerd moet ons bij voortduring bijblijven , om ons in staat te stellen tot het maken van vorderingen in het gebied der wetenschappen ? door welke wij ons zelven kundiger en gelukkiger kunnen maken; Onze kinderoefeningen zelve, en de voorwer- pen , met welke wij ons door dezelve bekend maakten, kunnen, zelfs door mannen, uit vee- lerleibelangrijke oogpunten worden beschouwd, zoo dat zij aan de kundigste zelve waardige stof tot nadenken en onderzoek opleveren. En even zoo hebben wij het hoogstwaarschijnlijk te ach- ten , dat de wetenschappen , aan welke wij bier* onze edelste krachten hebben gewijd, dekundig- heden, welke ons bier de zuiverste genoegens hebben opgeleverd , hoe zeer dan ook tot den gelukstaat des Hemels staande in dezelfde ver~ hou- houding, als onze kinderlijke kennis en oefe- lungen tot onzen mannelijken leeftijd, echter steeds zullen blijven de grondslageri onzer meer volmaakte Hemelsche kemiis , bij de vorderin- gen, die wij in dezelve zullen maken, steeds onmisbaar voor ons zullen zijn en ons bij voort- during stof opleveren, waardig ons nadenken en onderzoek. Te meer daar wij, waarop ikmij In dc vyfde plaats wilde beroepen , bij onder- vinding weten , dat, bij de werkzaamlieden en de vorining van onzen geest ? geene sprongen gescliieden , maar alles trapswijze voortgaat- Wanneer wij toch nagaan , hoe wij tot die hoog- te van wetenschappelijke kennis en bescliaving gekomcn zijn , op welke wij ons nu bevinden f tespeuren wij ligt, dat wij van trap tot trap tot dezelve zijn opgeklommen. Ja elk denk- Leeld, hetwelk wij ons vormen, schakelt zicli aan een voorafgaand, nit lietwelk bet, als bet ware, geboren wordt en door betwelke bet tot rijpbeid wordt gebragt in onzc ziel. Even eens is bet met onze zedelijke vorming gelegen. Niet op eenmaal worden wij mannen in bet betracb- ten der deugd. Met vallen en opstaan brengen Wij bet alengskens verder, en zoo wij nu bet pad der deugd moedig en standvastig met man~ ttentred bewandelen 3 wij zulleu ons kunnen ber- in- inneren, lioe wij. eens met waggelende schro*- den aanvingen op hetzelve te gaan, en hoe wij Let, niet dan met veel moeite en impaneling, door den tijd zoo ver hebben gebragt , dat wi| nu meer rustig kunnen voortspoeden. Ook de vatbaarheid voor zuiver en edel genot ontwikr* keidt zich van tjjd tot tijd in onzen geest; * Gelijk wij dien trapswijzen voortgang in onze eigene ziel ondervinden , zoo bespeuren wij diea ook bij anderen, zoo ver onze waarnemingcn in dit opzigt kunnen reiken. Het moge soms scbijnen, dat het tegendeel van denzelven bij den eenen of anderen plaats liebbe; hier moge een uitmuntend genie zich op eenmaal, in eenig vak van Wetenschappen, op eene aanmerkelij ke hoogte scliijnen te plaatsen en den tusschen- stand tiissclien het eene en andere vak, als bjj eenen sprong , te overschrijden ; daar moge liet ons voorkomen, als of een ander , op eenmaal veranderende van zin , van een buitensporig le- yen afsta en door deugd en Godvrucht boven anderen uitmunte ; ginds moge het. zich laten aanzien, dat een derde eensklaps smaak krijge in betere , den mensch meer waardige , g^pietiftr gen en vatbaar worde voor de edele, en zuivere genoegens, welke hij tot hiertoe versmaadda Dpch 3 wanneey wij den iawen wajeo to^r dragt ( 3o) dragt der zake even zoo wel , als de uitwendj- ge vcrscliijnseien , konden waarnemen , zouden wij ons zeker overtmgd honden , dat , Lctgeen , in de genoemde en diergelijke gevallen, eens- klaps scliijnt plaats te grijpen, van trap tot trap wierd voorbereid , en , bij den eenen met meer- deren, bij den anderen met minderen spoed, maar bij alien door den tijd en door vooraf- gaande oefeningen tot rijplieid wierd gebragt. Wij kunnen liet dan ook niet anders, dan on- mogelijk , immers hoogstonwaarsclujnlijk ach- teri, dat wij, wanneer wij ? na den dood van ons Jigchaam , ons tegenwoordig leven zullen voortzetten in een volgend , op eens gelieel zul- len veranderen van werkzaamheid, als bij eenen sprong van andere kimdigheclen worden voor- zien en ons genoegens scheppen nit ganscn an~ dere bronnen , wel zal er , door Let wegvallen van ons ligohaam, bij on/.en dood, op eenmaal eene zeer groote verandering bij ons plaats grij- pen j daar alle ligchamelijk genot en alle ligcLa- melijke verrigtingen van zelve zullen opLouden, terwijl onze geest , ontbonden van Let stof , zijne werkzaambeden vrijer en vlugger zal knn- nen voortzetten en zoo veelligt vorderingen ma- ken 3 van welke wij ons nu nog geene denk- beelden kunnen vormen. DocL welk eene ver- andering er ook bij ons moge plaatsgrijpen, bij ons (30 ons overgaan tot een volgend leven , zeker zal toch wel met onze ziel op eenmaal wordeii ont- daan van alles, wat wij bier hebben aange- leerd , niet op eenmaal onv^rschiilig wbrdeh omlrent alle die Wetenschappen, in welke zij zich hier met lust en ijver heeft geoefend , riiet op eenmaal vatbaar voor geheel andere bezig- heden, dan haar hebben onledig gebouden: en ook het genot, hetwelk hier onze ziel uit voor- werpen , waardig n barer belangstelling heeft ge- smaakt, zal gewis dan niet op eens opbouden voor haar eenige waarde te bebben. De schat- ten van kundigheden , die wij ons hier hebben verworven- . nemen wij dus mede in een volgend leven. Daar znllen wij voortzetten de oefenin- gen , welke de dood ons bior beval te staken ; het genoegen , hetwelk ons hier het toenemen in nuttige kennis deed smaken , zal daar aanvan- kelijk een gedeelte van ons geluk uitmaken. Hetgeen wij hier hebben aangeleerd zal bij voort- during , als het ware , de grondslag Llijven van ons verder toenemen in kennis , en zoo zullen de Wetenschappen , hier door ons heoefend , eene blijvende waardij bebonden tot vermeerde- ring van onze zaligheid in het toekomstig le- ven ., - voor zoo verre zij ten niinste eenigzins geschikt zijn om ons derwaards te vergezellen. ^ i ' Etoft wijsgerige beschouwing van den aard der xake leidt ons dus tot een stellig envoor de wetenschappen gunstig beantwoorden van het eerste gedeelte der voorgestelde prijsvraag. Raadplegen xvij nu verder het Bijbelsch onder- wijs en zien wij , of hetzelve ons gronden ople- vert , om de zelfde verwachting te koesteren , tot welke ons de heschonwing van den aard der z*ke leidt. Duidelijke en stellige nitspraken trefTen xvij in de Heilige Schriften wel niet aan, die ons uit- dnikkelijk leeren , dat de Wetenschappen , }iier door ons beoefend , ook in een volgend zalig le- Ten nog hare \vaardij zullen blijven behouden li inedewerken ter bevordering van ons geluk. Doch -wij behoeven ons daarover even rain te rerwonderen, als het ons kan verpligten tot het opmaken van een voor de Wetenschappen on- gunstig besiuit. Ik nierke dit voor alle dingen aan , om alie bevreemding en bedenking te doen ophouden, bij het bespeuren, dat het onderwfjs der Heilige Schriften ons niet veel lichts of zfckerheid geeft met be trek king tot den heilza- Hi6n invloed van het hier door ons aangeleerde ej* ons gelukkig leven na onzen clood. Ttonwens de Bijbel is over het geheel zeer spaarzaam iit het mededeelen van ontdekkinsrrn met betrekking tot het volgend leven, deszells werk- (33) - werkzaamheden en geluk. En dat uit zeerwij- ze en voldoende redenen. (/) Hetgeen wij loch van de zaligheid des vol- genden levens behoeven te weten , ter bevor- dering van onze gelukkige voorbereiding voor hetzelve, is niet zeer veel. Voldoende mogen wij het daar toe achten, dat wij ons, op de ze- kerste gronden, kunnen overtuigd houden,dater een toekomstige geluk staat is te wacliten , dat de- zelve in het naauwste verband staat tot ons te- genwoordig leven , dat wij voor het genot van deszelfs vreugd allcen kunnen vatbaar worden door , gelijk deszelfs zaligheid voornanielijk zal bestaan in gelijkvormigheid aan God enz. Doch hoezeer, niet slechts nieuwsgierigheid , tnaar ook harteltjk verlangen naar en opregte belangstelling in het geluk des Kernels soms onze begeerte moge gaande maken, om meer in de bi)zonderheden te weten, hoe alles in den Hemel zal zijn ingerigt, in welke betrekking wij daar tot elkander zullen staan , welk werk wij daar zullen verrigten , hoe wij daar zullen voortzetten hetgeen wij hier aanvingen , en wat \vij ons verder van dien aart kunnen voorstel- len, wij kunnen het echter niet noodig achten voor onzen tegenwoordigen staat , dat aan die 5. be- " (7) Verg. BLAIR Sermon* vol. t, p, 85 Worde voidaan. Hot weinige IYU, iiot- \velk noodig maar ook voldo^nde is, om os aan te sporcn en iti staat te stelien tot het werk onzer voorbereiding voor den Hemei leert ons de Bijbel duidelijk, maar niet hetgeen wij ver- der mogten verJangen tc we ton in dc brjzonder- heden van het hell, op hetwolke wij hopen na onzen dood. En dat met zeer vcel wijsheid. Zoo werkt hij mode om onze verbeclding , maar 4 al te genegen, om ons in menigvuldigc minnultige bespiegelingen to verdiepen en zoo van de hoofd- zaak af te trekken , binnen de palen te houdon : zoo zocht hij ons met onze aandaclit en weetlust vooral te bepalen ))ij het noodige, daar hij den kring van ons onderzoek niet te ver uitbreidt, noch te zeer vermenigvnldigt de voorwerpen onzer kennisneming. Veel van hetgeen ons de Bijbel zou hebhen .kunnen openbaren van den toestand onzer zielen na den dood van onze ligchamen , van derzelver werkzaamheden , wijze van bestaan en genieten enz. , zou weiligt ook zeer verkeerd door ons worden beschouwd en beoordeeld om dat wij liier niet op het regie standpunt zijn geplaatst omhetzelve rogt te beschonwen entebeoordeelen. o Want gelijk wij ons , als kinderen , niet kim- ^nen verplaatsen in de mannelijke Avijze van den- ken, gevoelen, genieten 3 spreken en handelen ^01 ( 35 ) zoo zal het ons ook wel niet rnugelij'k ljn, durende onzen staat van voorbereiding , ons reg~ to denkbeelden te makt-n , .irmners tot in de bij- zonderheden toe, van den toekomstigen st(a$ van belooimig engenot, ais waren ons omtrent denzelven ook de uitvoerigste onlciekkingen ge- daan. En ook nit dien hoofde moeten wij li^t \vijs en goed acliten , dat de Heilige Schriften ons niet meer Lebben geopenbaard aangaande den gelukstaat des Ilemels, dan hetgeen voor ons noodig en genoegzaam is en juist daarom ook door ons nit het regte oogpunt kan wor~ den bescliouwd. ' Verder leert de ondervinding , dat juist dat gene , lietwelk eenige donkerbeid blijft benou- den en niet in alle opzigten duidelijk en belder is 7 dikwijls wel bet sterkst op den mensch werkt ? liem liet meest aanlrekt , of afschrikt. En ook uit dien hoofde moeten wij het aannier- f ken als zeer wijs en welgedaan, dat God in het algemeen alles , wat de toekomstige eeuwe be- treft, in vele opzigten als in een geheimzinnig duister heeft ingewikkeld, en ons in den Bijbel slechts spaarzame ontdekkingen met betrekking tot hetzelve gedaan. Meest ovcveenkomstig hebben wij dat, ein~ ook tc houden met de voorstelling , (36) welke de Bijbel zelve ons geeft van ons tegen- \voordig leven, wanneer hrj ons leert, dat wij liier wandelen door geloof en niet door aan- scliouwen. (m) Doch in het bijzonder behoeven wij er ons vooral ook niet over te verwonderen , dat wij in die Heilige Schriften , door welke het leven en de onverderfelijkheid is aan het licht gebragt , iveinig of niets vinden geleerd , althans uitdruk- kelijk, aangaande den bijblijvenden invloedder liier door ons beoefende Wetenschappen en daar door aangeleerde kundigheden op de bevorde- ring van ons geluk in de toekomstige huishou- ding. Want ook hiervan is meer dan eene jeden te geven. Die Heiiige Schriften ? vooreerst, zijn nietal- ^een geschreven voor wijsgeren en zulken, die bet noch aan den tijd, noch aan hulpmiddelen? noch aan de vermogens ontbreekt , om zich met ijver en gocd gevolg op de beoefening der We- tenschappen te kunnen toeleggen, Zij inoeten ook , en niet minder ? dienen 7 om zulken wij s te maken tot zaligheid , die geene Wetenschap- pen aanleeren , of aanleeren kunnen. Want de Bijbel is niet allecn een boek voor pries ters, gelecrdcn en aanzienlijken, jnaar ook voor het volk, V.,} IlCcr, V. 7, (3 7 ) volk. Wierden er nu in denzelven rijke en voerige taferelen gemaald van den treflelijken invloed der Wetenschappen op het geluk van het volgend leven ; vonden wij er rnet veel op- lief gewag gemaakt van derzelver beoeiening , eri in vele bijzonderheden aangewezen ? hoe die bij- Mijvend zal dienen ter vermeerdering der Hemel- sclie geiukzaligheid, zoo zoude dit rnqer geschikt zijn , om bij zulken , wier omstandigheden him niet veroorloven eene uitgeLreide kennis van vele zaken op te doen , en hunnen geest door \vetenschappelijke beschaving te versieren en te verrijken, ontevredenheid met hunnen toestand te verwekken en begeerten gaande te maken , welke zij niet zouden kunnen bevredigeii, dan om hen wijs te maken tot zaligheid. En uit dien hoofde alleen moeten wij het zeker reeds aanmerken , niet ais een gebiek , maar als een blijk van hooge wLjsheid, dat de gewijde schrif~ ten niet uitdrukkelijk gewagen van wetenschap- pelijke kennis en beschaving , als geschikt, om ? op den duu r , ook in een voigend leven , mede te werken ter bevprdering van ons geluk. Daarenboven moeten wij dat zeer wijs noe- men, om dat de Wetenschappen , opweikerbe- oefening men zich vooral toelegde in dietijden, in welke de schrjjvers der gewijde schriften, * aan aan Weike wij on/e nadcre en zekere kennis van de Hemelsclie gehikzaligbeid te danken liebben, leefden, ook in ziclizelve, over bet algemeen , niet zeer aanbcvelingswaardig kunnen worden geaclit. De Joodsclie i geleerden van dien tijdtoch bevlij- tigden zich alleen op eene zoo donkere en ge- lieimzinnigc , als nattelooze wijsgeerte , of op eene zeer zinnebeeldige en ingewikkelde wijze van verklaren hunner Godsdienstige schriften , of eene naauwkeurige kennis van geestelooze overleveringen en de uiterlijke plegtigheden van den godsdienst. En wat de Grieksche en Ro* meinsche wijsgeren betreft (bebalve, dat liunne scbolen , over het algemeen , niet voor alien openstonden , niaar alleen voor de zulken , van welke zij eene mime belooning konden verwach- ten (//), en zij er zich zeer weinig aan lieten gelegen liggen , om him licht onder bet volk te verspreiden) zoo waren de Wetenscbappen wel- ie zij bcoefenden, of welke men uit banne gcbriflen konde leeren , ook ineestal niet van dien 'aart, dat zij voor de vatbaarbeid van bet al- gemeen waren berekend ? of men aan dezelve eene zeer nuttige slvekking konde toescbrijven. De een onderwees en bcoefende eene valscbelijk ge- naamde welsprekenbeid , nicer ten doel hebben- de (n) Cff. F. V. REIKHARO de ratione docendi Socratica \Vj'ftcnl>. 1780, p. 5o seqq et ccriptores ibi laudati. de het volk te verleklen on- to verblinden , d hetzelve te verlicliten en te verbeteren. I>e an- dere hield zich bezig met afgetrokkene bespie- gelingen, nuttelooze ondeizoekingen, en losse gissingen omtrend dc natuur der dingen. Een derde leerde eene wijsgeerte , welke of de zede- lijkheid verwoestte , of met dezelve in geene be- trekking stond , of zeer weinig berekend w<^'^) den wczcnlijkcn toestand der mensclien. Allecn de eenige SOCRATES (o) ? en weinigen, diemin of meer zijne voeistappen volgclen .', pastcn de wijsgeerte toe op het menschelijke leven , tracht* ten haar dienstbaar te maken ter bevordering van liclit en gelukzaligheid en rigtten bare beoe- fening naar de wezenltjke behoeften der men- scben. Docli niet ver Luiten linrme scholen ver- spreidde zich bet door ben onts'oken licbt. Wei- nigen slechts konden zich met bunne scbvifteti en bun onderxvijs Lekend maken. Over bet al- gemeen waren dus de Wetenschappen , welke "bet meest wierden beoefend en gekend ten tijde van (o) Het zoiule overtollig 7,ifn Hier de verdimsten vnn dezen grooten man breedvoerig te roemen. Oude en nieuwe schrijvers , genoeg bij alien btkend , hebben dt-7.cn eerwaardigsten van alle -Gfieksche \v5//,en regt Iwten wedriviren en a.-mgftnond , welkegmo- te di^usLfu hij zelf en door zijne leevlingen aan dt- \vifsgfertelieeft iewezen. Men vergelijke hicr voor het overige XKSOPHON me* -morab. SOCRATIS IV. 7. BEIKHARD plan des Stifter&der Ch*isti m rilig. 4c ansg. s. ,292 - 296 & 3o5 folg^. de fkilo*&phie Ttixa I, Cb. VI. (4o) van de Apostelen van onzen Heer, hunne aan~ Leveling niet waardig, en wij bchoeven er ons . dan ook niet over te vcrwonderen , dat zij die in hunne- schrillen niet aanprijzen ? ais bevor- derlijk aau hct genot van de zaliglieid des Ke- rnels. Te minder , daar zij zelve ook geene wctcn- schappelijke opvoeding- hadden genoten , of voorzien waren van die kundigbeden , welke zij in hunnen tijd door dezelve hadden kunnen ver- , krijgen. Waarom de stichter van den Chris- . telijken Godsdienst zich van zulke menschen heeft bcdiend , om de voortplanters en verbrei- .ders van zijne weldadige leer te zijn, behoeft bier niet breedvoerig te worden aangewczen. . Van ouds heeft men hieruit aanleiding genomen ,om bet Christendom te smaden en beclenkingen tegen deszelfs Goddelijken oorspi*ong en Gpd- delijke waarde te maken (p). Doch van ouds beeft men ook reeds dezen smaad weggenomen, en deze bedenkingen wederJegd op de allervol doendste wijze en door velerlei redenen aange- toond, dat bet een bewijs is van de gadclooze wijs- - ( p] LucrAKus Tjop.mt hen smn weest te zijn in Grieksche dichteren en zelfs in andere meer geleerde Grieksche schrijveren. Doch men maakt zich echter buiten twijffel een veel te groot dtinkbeeld van zijne geleerd- held, wanneer men hem met sommigen eene groote mate van kundigheid in die mensche'- lijke wctenschappen toescbrijft; (r) en bet be- boeft ons niet te bevreemden, dat hij ook der- zelver beoefening niet aanbeveelt, als bevor- derlijk aan de bentelscbe gelukzaligbeicl , wan- neer wij slecbts onder bet oog bouden bet- geen boven (5) gezegd is aangaande den toe- stand der wetenscbappen ten tijde van de eer- ste verbreiding van bet Christendom. Hoezeer wij intusscben weinige, of liever geene, stellige uitspraken zelfs in die Heilige Scbriften, aan welke wij de zekere kennis en verwacbting eener aanstaande hemelsche geluk- zaligbeid te danken bebben , vinden , welke ee- ne regelregte aanbeveling bebelzen van de be- oefening der wetenscbappen 5 als dienstig tot bet meergemelde einde; geven ecbter die Hei- lige Schriften ons, op meer dan eene wijze, aan- (r) Z. MICHAELIS Einleit. in die Schrift. d*$ N. B. 1 Ti. 8. 162 foTgg. 4e ansg. en de aldaar aan^chaalde disscr- tltie van TSALEMAN de erudit. Pauli Jud. non Graeca. (s) Z. bl. 36 en volgg. aanleiding tot nadenken over, en een gwnstig vermoeden aangaande den mogelijken irivloed van de hier door ons verkregene kiimligbeden op, en derzelver brjblijvende medewerking tot bevordering van bet eetiwig geluk, op htft welke zij ons doen liopen. Zij stellen ons , trouwens , den gelukstaat des volgenden levens voor als van eenen geesteJijken aard } en onderscheiden zicli liierdoor zeer ten ha- ren voordeele van andere heilige Loeken , welke als oorkonden eener onmiddelijke openbaring van de Goclbeid aan de menschen worden ge- eerbiedigd (). Het is waar zij gebruiken tot het sclietsen van dezen gelukstaat dikwijls velerlei zinnebeeldige uitdrukkingen , ontleend van aardsclie en- ligcliamelijke bezigheden en genietingen : docli wij moeten deze zinnebeel- dige uitdrukkingen verklaren uit zulke plaat- sen, welke ons, in nicer duidelijke en ei- genlijke bewoordingen, leeren, waarin liet ge- luk des hem els zal bestaan. Dat vorderen de algemeen aangenomene regels eener gezonde uit legknnde (w). En uit deze plaatsen blijkt ten over- (t) Men xie b, v. aangaande den Kdran , LESZ gesth. der Jielig. i Th. S. 4oQ f'gg* * n ^ le ' ; g*'*''^ men verder Lij hem Tindt van de II, boekea der Persea, Jndianen enz.' () Cf. Diss. vS v F. N. MOPT de notianibu.'s uni Theol. Dissertf. TheoL et PhiloL : Vol. I. p. ;OQ (44) overvloede, dat, naar de leer derlletlige Sclirift, de toekomstige gelukzaliglieid niet in ligcba- melijke , maar in geestelijke bezigbeden en ge~ nietingen zal bestaan. In den Hemel tocb zal men niet trouwen , of ten liuwelijk uitgeven , maar men zal er zijn gelijk deEngelcn Gods(c): buik en spijze zullen er Leide zijn te niet ge- daan (w). Onze ziel zal er bij aanvang deelge- noot zija van Let toegezegde lieil, eu als zij eenmaal weder zal worden Lekleed met een ligclmani , zal het een geestelijk , onsterfelijk en onvcrdcrfelijk ligcliaam zijn (x}. God zal er door de gelukzaligen worden gekend en zijn wil zal er, op de volmaaktste wijze, worden be- traclit (z/'). Onze goede werken en derzelverbe- looriing zullen ons in den Hemel Volgien'fr/j. En ivanneer de Bijbel met weinige woorden degan- sche Hemelsche gelukzaliglieid wil besclirijven , 200 ver wij er ons eenig denkbeeld van kunnen vormen , biet bet : zij , die nu kinderen Gods zijn, zullen Hem eenmaal gelijk wezen (a}. Zeer mogelijk nu bebben wij Let niet alleen , maar zelfs zeer \vaarscbijnlijk te acliten , dat in 2nJk eenen gelukstaat de scbatten, welke wij op deze (v] -Mat*. XXII , 3o. (w) i Corintb. VI, iS, (x) I Corinth. XV. (>') l Con ntlu XIII, la. Matth, VI , io 4 (z] Opb. XIV, 1 5. (a) i Joan. Ill , a ? *. (45) deze aarde voor onzen Geest lieLbeii verzameld , door eene vlijtige beoefening der wetenscbap- pen, ons zullen kunnen bijblijven, en dat de nuttige kundiglicden , welke wij bcbben ver- kiegen, bij voortduring zullen kunnen mede- werken ter verbooging van onze zaligheid (6). herder: de Heilfge Sclirift leert ons bet te- genwoordig en bet volgend leven, ook met Letrekking tot de gezaligden, steeds Lescliou- wen als cnderling tot elkanderen in de naauw- ste betrekking staande. Want niet alleen ver- bindt zij bet volgend leven omniddelijk aan bet tegenwoordige, zoo dat wij, van bier scbeidendc, terstond verplaatst worden in ce- nen staat van geluk of van ongeluk in de andere wereld, maar zij spreckt ook steeds van dit leven als van den tijd der voorbe- reiding voor bet volgende, tot bet welke wij zullen overgaan als wij bier geleefd bebben * en leert ons, dat wij biernamaals zullen maai- jen bet geen wij bier zullen gezaaid bebben. Naar deze leer der Heilige Scluift, die ik te zeer bekend en bcwezen acbt, dan dat bet noo- dig zou kunnen zijn dezelve door bet aanvoe^" ren van een aantal Bijbelplaatsen te staven, bebben wij bet dns daarvoor te bouden, dat onze ziel, bij den dood des ligcbaams, blijft (5) Z. htt borcn bercdenrerde op M. 30 en houden de bewiistheid , dat zij dezelfde is, die op deze aarde heeft geleefd, het gelieugen van het geen zij heei'l verrigt, bare wijze van den- Icen en gevoelen, hare hebbelijkheden en nei- gingenren zouden wij daarait niet met de groot- ste waarschijnlijkhcJd inogen Lcsluiien, dat de gezaligdeu in hel volgend leven zullen hlijven in het bezit van die kundiglteden, welke zij hier heLLen opge<:laan? Dat zij ook daar zich op derzelver vermeerdering zullen blijven toe- leggen, en dat dit een gedeelte van bun geluk fcal uitmaken? Immers in zoo verre, als de "wetenschappen 5 welke zij bier hebben beoe- "fend, niet geheel nntteloos en onbruikbaar voor feen worden gemaakt door bnnnen veranderden toestand, Wanneer wij 6ns bet boven berede- iieerde herinneren , zullen wij daaraan niet : kiinnen twijfelen (c). Eindelyk: de Heilige Schrift bescbrijft ons den toekomstigen gelukstaat wel als eene ruste Van alien moeijelijken arbeid, van alle leed en ^epftriet; (d) maar geenzins als eenen toestand Tan luiheid en werkeloosbcid. Iiitegendeel zij "St%lt ORS de gezaligden voor als steeds bezig en gelukkig door Godverbeerlijkende werkzaam- held. In alie de bijzonderlieden verklaart zij ons (c) Z. bJ. ay, volgg. (<) .^Jfb.rXre, iJ. Hrhr. IV ons wel met, waarin hunne -vverkzaambeid- sal bestaan, en hoe die door hen zal worden iqtf- geoefend; maar, daar zij ons clit levcn. leeri beschouwen als den tijd der ocfening en voor- bereiding voor Let volgend, kan bet niet twijfi- felaclitig zijn, of wij moeten ket, naar hct oiv derwijs des Bijbels, daar voor liouden, dat dp Godverlieerlijkende werkzaamheden . der ligden, zoo al niet dezelfde, ten minste soorlig moeten zijn met die, in welkc ^ij 7i"ch op 4 deze aarde lieLLen moeten bczig 1 o> den en bekwamen. Daar wij nu, gedurcnde ons aard"- sclie leven, blijkens de ondervindinir, i-penJg^. vuldigen dienst kunnen hebben en d^deljjk ge- nieten van eenc vlijtige beoefening der welen schappcn en van de door deceive verkregene kundigheden , om ons in sla.'if. te steilen 9 eiti tot verheerlijkmg van God te leven, mogeu w^ bet gewJs , zoo n-iet zcker, ten minste lioogst- waarschijnlijk acLten, dat wij er ook dan nog bij voortduring dien ge\vigtigen dienst van zul- len ondervinden, \vanneer wij in de vrciigdje onzes Heeren znllen zijn ingegaan. En oofc nit dien lioofde rnogen wij ons, op grord van bet Bijbelsch onderwijs, beloven, flat de bier door ons beoefende wetenseliappen en aangeleei^ de kundigheden ons in de toekomst zullen by- blijven en medewerken tot oiis gekk. Zi* (48) Zietdaar, waardste Iczers ! de bewijzen , wel- ke, naar liet mij voorkomt, kunnen worden aangevoerd uit den aarcl der zake en uit liet Bijbelscbe onderwijs , om ons te doen gelooven "dat cr grond is, om bet daarvoor te houden, dat de in dit leven beoefencle wetenschappen en aangeleerde kundigbeden in bet volgend le- ven ons zullen bijblijven , om ons geluk te vergrooten en zoo liet eerste gedeelte van de door bet Zeeuwsclie Genootscbap yporgestelde prijsvraag, welke bet onderwerp dezer verban- deling uitmaakt, toestemmend le beantwoor- den. De zwarigbeden en bedenkingen , welke bier tegen zonden kunnen kunnen worden aange- voerd, moetennuin overweging worden geno- men. Gelijk de voorgedragene bewijzen , kunnen dezelve zijn van tweederlei soovt ; of wijscrerige, of zulke, die ontlcend worden uit de Hoilige Scbriften. Omtrend bcide zal ik zoo veel in bet midden tracbten te brengen , als noodig i^ , om over derzelver kracbt en waarde te kunnen oor- deelen. Verdiende de vernnflige .1. J. ROUSSEAU ge~ loof inhetgeen hij heeft aangevoeixi ? om betna- deel ( 49 > deel der wete?*schappen te betoogfen (*), eu het streng en voldoende worden bewezen, dat de sehadelijke gevolgen, \velke hij en anderdti aan dezelve hebben toegeschreven , baar indeiv daad mogen en moeten worden te laste gelegd dan zou er wel geen twijfel zijn, of wij zoudeto. de wetenschappen , in plaats van bevorderlijk aan ons geluk in de toekomstige wereld, inte- gendeel veeleer boogstscbadelijk aan hetzelve moeten achten. Want, benevens de ktinsten, bescbuldigen zij de wetenschappen niet alleen. van bet sticbten van velerbande nadeelen en on- beilen voor de Maatschappij ; maar zij achten ook derzelver vlijtige beoefening te zijn van de allerl edenkelijkste gevolgen- voor deugd en goe- de zeden. En verdienden de wetenschappen de- zen haar opgelegden blaam , dan ware het ge~ wis onmogelijk, dat zij .zouden kunnen dienen, om biernatnaals op den duur bevorderlijk te zijn aan' ons geluk. Hetgeen toch moet dienen en bijblijvend medewerken tot bevordering van bet genoegen en de zaligheid des Kernels, kan onmogelij,k van dien aard zijn, dat het hier fle orde en welvaart van de Maatschappij ver- stoort : en veel minder nog kan het mogelijk 7 zijn i (veeide en losbandiglieid voortbrengt en , op hare beurt , ook weder door dezen wordt onder- $t$und; dat zij den rijkdom voedt en daardoor eene oorzaak is van tallooze ondeugden en dat zij eene zuclit doet ontstaan, om te behagen , welke nicer naar den schi/n der deugd, dan naar de deugd zelve doet jagen , en geveinsd- heid van karakter de plaats van opregtheid en welmeenendheid doet vervangen. Heeft men alle reden , om zich te verwonde- ren over het aantal en de zwaarheid dezer be- schuldigingen niet minder bevreemdend en on- geschikt , om aan dezelven eenig gezag bij te zet- ten was de aanleiding , welke ROUSSEAU b^ woog, om dezelve voort te brengen en staande te houden. De Akademie van Dijon in Frank- rijk loofde namelijk eenen eereprijs uit op de bdantwoording der vraag: Of het herstd der ffeten-schappen en Kunsten eenen voordeeligen 4 4 ( S3 ) invloed had gehad op de verbetering der den ? (g) ROUSSEAU besloot naar den prijs te dingen en gaf daarvan kennis aan eenen zijner vrienden. Tot nog toe was zijn voornernea, om de zaak der Wetenscbappen te verdedigen: docli zijn vriend raadde hem , om dit voorne** men te laten varen en liever de tegenovergestei - de partij te kiezen* Hij voJgde dien raad en behaalde den prijs. Nu wenschte men hem vaa den eenen kant geluk met zijnen vernuftigen in* valj en aan den anderen kant viel men zijne bekroonde verliandeling aan in Leoordeelingen en tegenschriftcn (h} : en ROUSSEAU, die eerst zelf niet scbijnt ontkend te bebbert, dat zijne ver- handeling eene bloote speling van zljn vernnft was, begon nu in ernst vodr waar te boudenetl te verdedigen betgeen bij voorheen, alleen oitt iets zonderlings te verdedigen , gescbreveh bad(/). Gelijk dus de zucbt tot bet zonderlinge , tot bet- welke ROUSSEAU over bet gebeel niet weinig scbijnt te bebben overgebeld, bem bet eerst scbijnt (g) Si le retablissement des Sciences et d9 art* a con- tribue a sparer les moeurs? ' (h] Hetgeeti IxoussiAtr hierop heefl geantwoord vindt mea i het straks aaugehdnlde i3de deel zijuer werken. (i) Z. DE WAL t. a. pi., YPEY Kerkel. Gesch. fat l8d Etuw , 3de D. W. 108 volg, en de cjoor beideft mr I' imagination ^ leitre 7. ( 54 ) sthijnt te hebben bewogen tot bet beweren van het nadeel der Welenschappen, zoo scbijnt bet de zoo algemeene neiging, om bet eenmaal, vooral met toejuicbing, beweerde staande te houden, te zijn geweest, die bem vervolgens zijne eenmaal aangenomene stelling beeft doen staande bouden en verdedigen: en nocb het eene , nocb bet andere kan ons een zeer guns- tig gevoelen van derzelver waarheid inboeze- men. Andere meer wijsgerige en uit den aard der zake ontleende bedenkingen tegen de Weten- scbappen in het algemeen , als van geene guns- tige strekking ter voortdurende bevordering van bet geluk des volgenden levens , zijn mij niet be- kend. Ik erkenne het, zeer breed kan men uitweiden over het misbruik der Wetenschap- pen en het nadeel van eene overdrevene beoefe- ning van dezelve. Men kan, niet gebeel zon- dergrond, het gevaar, hetwelk de beoefenaar der Wetenscbappen loopt , om of misbruik van zijne aangeleerde kundigheden te maken, of zicli zoo gebeel aan zijne gelief koosde oefenin- gen over te geven, dat,hij vergete ? dathijhoo- gere pligten heeft te betrachten, dan zich toe te leggen op de lettercn; men kan ? zeg ik, dit gevaar , niet zonder grond als vrij groot voor- stei- ( 55 ) stellen. Met eenige kennis tuch-aan de Weten- schappen , het aangename van derzelver beoefe- ning en de menigvuJdige betrekkingen , in wel- ke de door haar aangeleer.de kundigheden staan tot het dagelijksche leven , gevoegd bij de noo- dige mate van kennis van den mensch en zijne verkeerdheid , kan bet niet moeijelijk vallen vrij overtuigend te doen zien, dat scbier niets . voor meerder en grooter misbruik vatbaar is , dan de wetenschappen ; dat zij op de allerscbandelijk- ste wijze kunnen \vorden aangewend tot ver- stooring van de goede orde , rust , geluk en zedelijkheid , dat zij kunnen worden dienstbaar gemaakt, om allerlei onbeil te sticbten, door het krenken van bet regt , bet misleiden en ver~ blinden van bet verstand, het bederven van het hart enz. enz. Ja het kan niet moeijelijk val- len verder te gaan en vrij overtuigend te doen zien, dat bet zeer natuurlijk te . venvachten is van de menschelrjke verkeerdheid, dat zij de wetenschappen zal misbruiken, ten nadeele van zichzelve en anderen : bier , door den mensch vermetel te maken en stout op zijn doorzigt en verkregene kundigheden , zoo dat hij zich aanmatige alles te beoordeelen en niets aante- nemen, dan hetgeen binnen het bereik van zijn begrip valt; ginds, door zijnen hoogmoed tot dien top te voeren , dat hij zich verheven acht boven 56 ) boven tijne minfcundige medetnenschen en ge- regtigd , om zieh , door misleiding of overheer- sching van hen te bedienen naar zijn helieven ; laar weder, door liem te doen vergeten en ver- waarloozen het geen hij aan de zorg voor de huishouding en de kindertucht, aan zijne eige- ne gezowdheid, het genoegen dcr zamenleving enz. schuldig is. Alles, wat men ten dezen opzigte, uit den aard der zaak kan beredene- i^n, kan men aanbinden en versterken door ket beroep op de ondervinding , welke ontegen- xeggelijk leert, dat schier alle inogelijk mis- bruik van kennis en wetenschap is gemacikt, en dat men zich wel naauwlijks eenig nadeel kan Toorstellen, het welk, door de mensclielijke verkeerdheid , niet zoude kunnen voortvloeijen ttk de beoefening der wetenschappen , of lit is er dadelijk, en helaas! maar al te zeer nit voortgevloeid. Doch het is er zeer ver van af, dat \vij hi emit zo n den kunnen of mogen be- 3tuiten, dat er redenen zijn om vasttestellen , dat er ontkennend zon moeten geantwoord war- den ap het eerste gedeeltc onzer prijsvmag, en den ijverigen beminnaar der wetenschappen alle hoop ontzegd van , ook nog in een volgeird le_ ^n, nut te zullen trekken van den uifgebreJ- den schat aijner verkregene knndigheden. Al- feen dan zouden wij OQ& met grond gewettlgd aqh- heden znllen knnnen djenen lot venneer- ' ' ' 4 welke onmogelijk knnnen worden beschouwd als bevorderlijk voor het gelnk des volgenden levens. Het zal dus noodig zijn liier aantetoo- neh, lioe wij die plaatsen hebben te verstaan en van welke waarde de bedoelde bedenkin- gen zijn, welke nit dezelve kunnen worden ontleend, of wel dadelijk zijn afgeleid. Op velerlei wijze dan vinden wij in de Heilige Schriften des Nienwen Verbonds de mensche- lijke wijslieid in tegenstelling gebragt met het Enangelie der zaligheid en deszelfs heilzame uitwerkingen. In (Go) In meer dan ecne plaats wordt de mensche- lijke wijsheid voorgesteld als hinderlijk aan het aannemen der Euangelieleer. JEZUS zelf zijnen Yader dankende, dat bij zijn onderwijs voor de wijzen en verstandigen verborgen had en aan de kinderen , dat is eenvoudigen en on- kundigen, geopenbaard (), goeft duidelijk ge- noeg te kennen, dat der wijzen en verstandi- gen wijsheid hen belette zijn onderwijs aante- nemen. En PAUIAJS leert dit uitdrukkelijk , wanneer hij verklaart dat zij, die meenden wijs te zijn en ook voor wijzen wierden ge~ houden, dwaas moesten wordeh en hunne wijs- heid laten varen, om regt wijs te worden, door het ontvangen der Euangelieleer (/). Het Euangelie te prediken met uitnemen- heid van woorden of van wijsheid achtte de- zelfde Apostel ongeschikt tot deszelfs aanbeve- ling (777), ja zoo schadelijk aan deszelfs heil- z-ame uitwerking, dat het die geheel moest verijdelen en krachteloos raaken (). Al wat de wijzen en geleerden van zijnen tijd (*) Matth. XI, a5. Luc. X, 21. (/) i Corinth. Ill, 18. (TO) i Corinth. II , i , 4 , i3. 2 Corinth. I, 12. () i Corinth. I, 17. Het Iruis van Christus is hier: dc leer van Christus den gekruisten. Verg. vs. 1 8 et SCHLEUSNER n vocc tijd hadden uitgevonden of konden uitdenken, achtte PAULUS bij Let eenvoudige en door hen als dwaasheid verachte Euangelie niet in aan- merking te komen, ja dwaasheid te kunnen worden geheeten (oh Waarom liij dan ook het Euangelie niet alleen verheft boven; maar ook stelt tegen over alle menschelijke wijsheid (/?). Eindelijk vinden wij nog bij denzelfden Apos- tel , dat God de wijsheid dezer wereld niet al- leen dwaasheid achtte ( Let Euangelie en dcszelfs gezegende ; ultwer- king (a). Elders vindeu wij in de Hciligc Scbriften go leerd, dat do menscbelijkc kennis zeer gebrek- 1 - Jdg is en in een volgend leven zal te niete gedaan worden. In den eersten brief aan de Corinthiers , hoofdst. XIII , bij voorbeeld, scbrijft PAULUS, dat zelfs de Godsdienstige kennis, die hij en de Corintbiers bezaten^ ten -deele'j dat is: zeer gebrekkig was, zoo dat zij moeSt vergeleken worden bij de onvolkomene denk- beelden, welke wij ons als kinderen vormeh en bij bet raadselacbtig zien door een duister glas (t>): en n ij verklaart, dat die gebrekkige kennis 3 wanneer bet volmaakte , in een vol gend gclukkig leven , zonde gekomen zijn , te niete gedaan zou worden. Ook biernit zoude men bedenkingen kurineh ontleenen tegen bet geloof, dat de bier door ons beoefende wetenscbappen en aangeleerde knndigheden ons in een toekomstigen geluk:- staat zullen bijblijven en medewerken ter be- vordering van ons gelnk. Indien zelfs de Godsdienstige kennis, (dus zoude men kunnen redeneren) indien zelfs de Godsdienstige ken- nis , {u] Men vcrgel. BOSVELD en MICHACLIS op i Corinth. I, (i>) Vid. SCHL BUSSED in voce ( 64 ) His, welke de Corinthiers en de hoogverlichte PAULUS zelf door Goddelijk onderwijs hadden verkregen, slechts alsgebrekkig stukwerk inoet -worden beschouwd; hoeveel meer moeten wij dan als zoodanig beschouwen zoo vele kun- digheden, welke wij door ons eigen gebrek- Jdg doorzigt en ons zoo ligt feilend onderzoek verkrijgen: indien die Godsdienstige kennis ^elve, als gebrekkig, in een volgend leven zal worden te niet gedaan; boeveel meer dan die onvolkomene kundigheden, welke wij hier, al- leen door ons menscbelijk verstand, bij het beoefenen der wetenschappen hebben aange- leerd: en zoo dezelve in een volgend leven worden te niet gedaan, hoe zoudtm wij ons ,dan mogen beloven, dat zij ons zullen bijblij- ven in de eeuwigheid en bestendig dienen ter bevordering van orize zaligheid? Maar ook deze bedenkingen kunnen op eenc .voldoende wij ze worden bean twoord. Van vele andere zaken , namelijk , knnnen wij , scboon ook door eigen onderzoek, eene veel meer vol-^ .ledige en naauwkeurige kennis verkrijgen, dan zelfs door lioogcr onderwijs en openbaring van zeer veel, het welk tot de Godsdienst in be- trekking staat : zoo is het gelegen , indien niet met alles, ten minste met hetmeeste, hetwelk binnen het bereik onzer zinnen en den kring on- waarnemihg valt. Niet alleen uit den ei*- gen aard van de Godsdienstige kennis , maar ook nit bet doel van ons bestaan op deze aarde Yolgt hefc, dat zeer veel van liet geen tot de Godsdienst in betrekking staat, meer oen voor- werp van OTIS geloof , dan van onze juiste em haauwkeurige keimisneming kan en moet zijn. Het Lesluit van liefc gebrekkige van onze Gods- dienstige kennis tot het onvolkomene van all menschelijke wetenschap is dus niet gegrond. Hoe gebrekkig en welk onvolledig slukwerk voorts ook onze kennis in eenigerlei opzigt mo- ge zijn; Loe zeer ook te vergelijken met de onvolkomene denkbeelden , welke wij ons als kinderen van vele zaken vormen ; wij belioeven haar daarom zoo min te bescbouwen als vol strekt ongescbikt, om ons in een volgend le-< ven van dienst te zijn ? als wij onze kindscbe 1 kennis kunnen aanmerken als gebeel nnttei^Os voor ons in onzen mannelijken leeftijd. H*et- geen wij ais kinderen bebben geleerd is en blrjft de grondslag van alle vorderingen ,' die wij "in vervolg van tijd niaken in de beoefening der Wetenschappen , en blijft ons bij dezelve op ve- lerlei wijze nut tig en onmisbaar. En wat voorts betreft, dat onze tegeriwoordige gebrekkige Gods- dienstige kennis in de volgende bnisboudmg ial worden te niet gedaan, blijkbaar is bet ( 66 ) Wij die uitspraak van den Apostel PAULUS dus hebben te verstaan, dat deze onze kennis in het toekomende leven zal worden vervan- gen door eene zoo veel volmaaktere, dat zij, bij dezelve vergeleken, als in het niet zal ver- dwijnen, naauwlijks voor lets zal kunnen wor- den mede gerekend. Zeer duidelijk is dit te zien uit Let gansche beloop zijner redenering van vs. 10 tot 12, en even duidelijk is het, dat hij dit aanvoert om de Gorinthiers te doen gevoelen, dat het dwaas en onbetamelijk was, zich, gelijk maar al te veel in hunne gemeente schijnt te hebben plaats gehad, ten koste van de broederlijke liefde, op zijne kennis, gelijk op de gave der talen en der profetie te be- roemen. Niet uit minachting voor Godsdien- stige kennis in het bijzonder, veel min van alle kennis in het algemeen, of om ons te lee- ren , dat wij van de eene of andere in het toe- komstig leven volstrekt geen gebruik of dienst zouden te wachten hebben, schreef PAULUS dus: wij kennen ten deele en die kennis zal worden te niet gedaan , terwijl de liefde eeuwig zal blijven: maar alleen om de Corinthiers aan- tesporen, om zich niet te verhefFen op het geen zij eenmaal niet hooger zouden kunnen schatten , dan de man de oefeningen en kundigheden van sijnen kindschen leeftijd, en ; door ziJk eenen dwa- MM dwazen hoogmoed, tegen de liefde, welke alleeri aan alle gaven hare waarde moet geven en eeu- wig de hoofdzaak blijven , te zondigen en te vertragen in het najagen dezer hemeldeugd (>). Verder kunnen hier nog , gelijk gezegd is , in aanmerking komen zulke plaatsen der Hei- lige Schrift, in welke het vergaderen van ken- nis en wetenschap wordt voorgesteld als eenc bezigheid, voor welke de mensch op deze aarde niet is berekend, of welke niet over- eenkomt met zijn belang , terwijl hij het be- oefenen der deugd alleen hebbe te beschouwen en te behartigen, als de taak hem aanbevo- len. Zoo leeren wij , bij voorbeeld in den Prediker (x\ dat het eene kwelliiig des gees- tes is zich wijsheid en wetenschap te verga- deren, om dat in veel wijsheid veel verdriet is, en hij, die de wetenschap vermeerdert, ook de smarten vermeerdert. Veel lezens wordt dan ook in hetzelfde Bijbelboek op eene an- dere plaats (z/) voorgesteld als vermoeijingen desvleeschs, terwijl als het eind en deslotsom van alles, wat gehoord is, en waarin de gan sche pligt en het geheele geluk des menschen (z) be- (w) Vergel. BOSVELD op i Corinth, XIII. (*) Hoofdst. I, 17, 18. (ij] Hoofdst. XII, 12, 1 3. (z) Dit meen ik de zin te zijn der sprcekwijze 0*}K?1 " /3IjT eigenl, dit is de gansche mensch, Verg. den Bijbel door V. D. ( 68 ) kcstaat , wordt opgegeven: vreest God en lioudt zijne geboden. In Let Lock JOB wordt op cene zeer trefTende wijze voortgesteld , bij wijze van Godspraak , als de eenige ware menschelijke wijsheid, den Heer te vreezen en te wijkenvan het kwaad (a). Om nu van andere Bijbel*- plaatsen (b) niet te gewagen, welke van zelfs het noodige licht zullen ontvangen door hetgeen met Letrekking tot de aangevoerde zal worden aangemerkt. En het valt terstond in het oog , dat deze en dergelijke uitspraken der Heilige Schrift aanlei- ding kunnen geven , om in dezer voege te re*- deneren: is het de eenige wijslieid, naar welke onze vermogens en onze Lelangen ons hier ver- oorloven te streven , dat wij den Heer vrezeh en ons deugdzaam leeren gedragen ; veroorzaakt men zich , door naar andere Wetenschappen te staan , slechts moeite en verdriet ; zijn de mid- delen welke wij daartoe aanwenden, kwelling en vermoeijng des vleeschs ; dan mogen wij ons in een volgend leven geen aanwinst in gelukza- ligheid van de pogingen, welke wij hier aan*- wenden tot het Leoefenen der Wetenschappen , ' en (a) JOB XXVIII , 28. (6) In welke b. v, de vreeze des Heer en wordt voorpestelJ als het beginsel der wijsheidi ails Ps, CXI, 10. Spreuk. I, 7, IX } 10 euz. en de kundigheden , welke wij daardodr vensaf- .xnelen, beloven. Want van hetgeen hier bty- ven het bereik van onze krachten moot warden -geacht , niet met onze hestemming overeenkotnt en slcclits kwclJing en smart veroorzaakt-, mo- gen wij hiernamaals niet Loj,en, dat i ,;;. . <, ;- zal bijblijven en medcwerken ter verg rooting van ons geluk. Doch welke gereede aanleiding de genoemde Bijbelpiaatsen ook tot zulke redeneringen schij- neri te geven; zeker is het, dat derzeiver dod niet is, of zijn kan, om ons af te marien viili het najagen der wijsheid en het verzainelen van kennis door de beoeleiiing der Wetenschappen, en ons te doen geloov'en, dat bet, in deze en in de toekomstige eeuwe, voor ons 'nutteloos en schadelijk zoude zijn , orn velerlei kundigheden te verkrijgen en daartoe onzen tijd met vlijt te besteden. Wijsheid en wetenschap toch wordeft ons doorgaans in den Bijbel als zeer voortreflb-- lijk voorgesteld. SALOMO Vooral verhief dezel- ve in zijne schriften door velerlei lofspraken. Zelfs bad deze vorst er om boven fijkdotn en. bet uitbreiden van zijne magt door het overwin- nen van zijne vijanden : zijne bede droeg- de goedkeuring van JEHOVA weg (c) , en in de Heilige Schrift wordt hij gepreze^n als een nit- \ * mun- (c) Vergel, i Koning. Ill, . } ( 70 ) muntend voorLeeld van wijsheid en kennis van velerlei zaken (d). Het kan dus de mee- nfng der aangevoerde Brjbelplaatsen niet zijn , en van SALOMO is het zeker vooral niet te wach- ten , dat hij ons zoude willen waarschuwen , dat het streven naar kundigheden en wetenschap ijdel en schadelijk voor den mensch zou moeten worden geacht. Alleen dit wil deze wijste van alle Koningen van Israel ons leeren in de boven gemelde plaatsen van den Prediker , dat ook het verzamelen van schatten van kennis op zich zel- ve zoo min den mensch regt gelukkig kan ma- ken, als eenige andere aardsche bezigheden of genietingen , daar het bejag en bezit van uitge- breide kundigheden geene onvermengde vreugde opleveren, maar onvermijdelijk gepaard gaan met onaangenaamheden , welke dikwijls zeifs toenemen in die mate, in welke onze kennis aangroeit, en alleen ware deugd en ongeveins- de Godsvrucht ons geluk kunnen verzeke- ren en op duurzame gronden vestigen. Wij kunnen dus wel uit deze plaatsen afleiden , dat wij ons te vergeefs onvermengd genot beloven van de vlijtfge beoefening der weter.schappen , dat zij integendeel ons niet weinJg kwelling en verdriet kan opleveren, welke soms toenemen naar de mate onzer vorderingen ; terwijl alleen (cQ i Kouing. X. getrOuwe deugdsbetrachting ons regt gelukkig kan maken, en daaroin door ons als dehoofd- fcaak van alles, moet worden feeschouwd: aan welke ook ons streven naar wijsheid en wetenschap moet worden ondergeschikt, maar niet, dat het aanleeren van wetenschappen en kundigheden schadelijk voor ons geluk zoude zijn of door ons als nutteloos voor dit en het volgend leven moeten worden aangemerkt. Wat voorts de uit het boek JOB aange- haalde treflende schoone plaats betreft, zij leert ons almede niet in het algemeen, dat het te vergeefs zoude zijn en boven het bereik van ons vermogen gaan , ons toe te leggen op ken- nis en wetenschap: maar alleen, dat het, in de zaak van de Godsdienst, des menschen ware wijsheid is, niet Gods raad en wetenschap te doorgronden, zijne onnaspeurelijke wegen uit- tevorschen; maar hem eerbiedig te vreezen en Godvruchtig naar zijnen wil te leven. Zij komt namelijk voor in een hoofdstuk, in het welke JOB zich op de trefFelijkste wijze verdedigt tegen de bedenkingen en beschuldigingen van zijne vrienden, door aantetoonen, dat het ver boven het bereik van het menschelijk verstand ga, welke verwonderlijke uitvindingen en ont- dekkingen het ook moge hebben gedaan, om te bepalen, waarom God de lotgevallen van bij- hijzondere menschen 200 en niet anders rigte; Hij hcgint daartoe (vs. i *u.) met eene over- sciioone lofreden op het mensclielijkc verstandV De nuttigste metalen, (zoo roetnt hij deszelfs vermogen,) het gond, het zilver, het koper en het ijzer, hoe cliep ook verhorgen in den SthoOl der aarde , weet het Ojitcspooren en zicK diensthaat te maken (vs. i, 2.). Zelfs aan de v duisternis stelt het palen en bcletharcn voort- gang, opdat zijne navorschingen er riiet door mogen worden gestremd (vs. 3.). Door het aelve vooj-gelicht klieft zich de rnijn worker eenen weg door de hinnenste ingewanden der aarde tot de gewesten der zwevende schiinmen, waar ^ijne, voeten, hem niet verder ten dietaste? taande, hunnen pligt scbijnen iu vergeten(vs. 4.). Deaj; haant zicli het menschelijk verstand een pad onder de oppervlakte der aarde , op welke het koorn welig tiert, werwaards het scherp ziend oog van den havik , zoo min als de fiere P30ed van den leeuw doordringt , om daar goad en edele gesteenten . optexamelen (vs.. 58.). Bergen wroet het om en ldieft.de hardste stee- nen, Hier doet het stroomen vloevjen door rDt;;ou; daar stop t het rivieren ? zoo (later geen- doorzijpt, en al, wat herg en rots en m. verborgen 'hidden , li.gt miakt en-l)ioot Dodi Jwat ook het mensch^lijk yer- (73) verstauJ vertnag, (zoo gaat JOB voort) vrnclitc- loos waagt liet zich aan liet nasporen tier Godde- lijke wijslieid en liet uitvorschen van hare plan- nen en wegcn (vs. 12, i3.).' Te vergeefs' wa'rfe' het, om haar op liet spoor te komen, af te da- len tot op den diepsten bodem der zee; te ver- geefs, voor haar bczit goud, of nog grootere schatten te bieden (vs. i4 19.)- ^ij I s verBoiv gen voor aller levendlgen oog. Daar, waar de vogels zweven , in de liooge lucht is zij niet te vin- den; daar waar de scliimmen zweven, in liet die- pe rijk der dooden , kent men liaar alleen Lij ge- ruclite (vs. 2022.). God alleen kent liaar vol- komen , Hij , de alwetende en almagtige Scliep- per der aarde. Hem diende zij Lij het bepalen van de zwaarte van den wind , den loop van het water, de wetten van den regen, en den weg van doncler en Lliksem. Toen zag liij liaar en. liet haar spreken , hij liet haar voor zich trederi envorschte haar uit (vs. 23 27.). En na dital- les uitmnntend schoon te hebhen ontvouwd , eindict JOB nu zoo trefFend , als verrassend : b ' inaar tot den mensch sprak God: zie voor u is 1 de vreeze des Heeren wijsheid en van het kwa- de te wijken verstand : of met aridere woorden; niet daarin bestaat, o mensch! nwe Godsdiensti- ge wijsheid 3 dat gij mijne wijsheid doorgrondt , 10, nlij- (74) rnijne, altijd voor u onnaspeurelijke , schikkin- gen tracht tc doorzien in hare Ledoelingen en haren zamenhang : dat is voor uw verstand eene onbereikbare hoogte. Mij te vreezen en u, uit eerbied voor mij , te wachten van het kwade , daarin bestaat voor u de ware Godsdienstige wijsheid , daar-door toont gij , in de zaak van de Godsdienst , uw verstand. Dock ik heb mij reeds te Jang bij deze schoone plaats opgehou- den. Eindelijk moet ik ook nog gewagen van zooda- nige Bijbelsche ukspraken , welke aan wijsheid en kennis zulke gevolgen toeschrijven , die on- inogelijk knnnen worden bcschouwd als bcvor- derlijk voor het geluk des volgenden levens. I Corinth. I, 21 , bij voorbeeld, stelt deApos- tel PAUIAJS de wijsheid voor als hinderlijk aan de regte kennisse van God. Dan daar het ons boven reeds is gebleken (e) van welke wijsheid PAULUS hier spreekt, zullen wij ons nu verder bij deze plaats niet behoeven op te houden. Even min behoeft het breed te worden betoogd, dat JESAIA (/') de Babylonische mogendheid bestraffende en haar verwijtende, dat hare wijs- heid en wetenschap haar afkeerig hadden ge~ rnaakt ofvei-leid, geene ware wijsheid bedoelt- rnaar (*) Z. bl. 62 , vrtlgg. (/) Hoofdst, XLYJtl, io f (750- maar dieheillooze staatkunde, welke haar daetilf wijsheid te zijn, docli welke het middel moest wordcn tot haren ondergang (g). Eenigzins rneer aandacht en gezette overwe- ging verdient liet , dat PAUTJUS op eene andere plaats in den laatst aangeliaalden brief (A), zulk eene gesteldheid des harte voorstelt als een ge- volg van de kennis , welke, naar de doorgaan- de leere des Bijbels, ons zeker uitsluit van de zaliglieid des Hemels , namelijk, hoogmoed en opgeblazenheid. llrj schrijit daar : de kennis maakt opgeblazeji. En niet alleen kan hieriiifc aanleiding genomen worden , om haar gevaarlijk en schadelijk voor den mensch te acbten , zoa schadelijk en gevaarlijk, dat zij hem verhindert zalig te worden; maar meermalen hebben ook dweepzucht en een min verlichte ijver voor Godvrucbt en deugd , dadelijk misbruik vau deze plaats gemaakt , om ten ernstigste af te ma- nen van de beoefening der Wetenschappen ea die voor te stellen als zeer nadeelig. voor hej; eeuwig welzijn der menschcn. Zien wij dus , in welken zin wij zijne woorden hebben opte- vatten. Hij begint in het achtste hoofdstuk van zijnen eersten brief aan de Corintbiers met hun te kennen te geven , dat hij hen wikle on- (g} Verg. v. D. PALM over JIZAUS op d, a, jl, (A) i Corinth; YIU , lt ( 76 ) onderhouden over de wijze , op welke zij zicli liadden te gcdragen omlrcnt het geen aan de afgoden geofferd ;was : dock hij breekt zijn voorstel terstond af door eerie tusscheiirede , van welke de woorden: de kennis maakt opgebla- zen, het begin uitmaken en die voortloopt tot vers 4. Deze tusschcnrede hebben wij te be- scliouwen als behelzende eene algemeene waar- Leid, welke PAUT^US ten grondslage legt van het geen hij verder schrijft. Spreekt liij dus van* Tccnnis, wij behoeven daarbij niet bepaaldelijk, gelijk sommigen willen (z), te denken aan die ikennis, van welke hij vs. i en 4 spreekt, de overtuiging namelijk ? dat de afgoden eigenlijk niet bestonden en dat er geen ander God is, dan een; maar wij kunnen bij dit woord den- ken aan allerlei kennis, vooral Godsdienstige. Doch door dezelve overtestellen tegen de liefde , dat is, die toegenegenheid en hartelijke goed- willigheid, welke de eene Christen den anderen Jbehoort toetedragen, toont hij ons duidelijk ? dat hij wil dat wij er eene andere bepaling in onze gedachten bij zullen voegen, en hem verstaan van zulke kennis, welke niet verzeld gaat van die toegenegenheid en inschikkelijk- lieid , welke men omtrend minknndigen behoort uitteoefenen , omdat zij niet door Ghristelijke lief- (*') Cff. SEMLER ad, h t 1. et SCHL^VSNBR in voce (77) liefde veredeld en geheiligd is. Zegt hij nu van 2ulke kennis, dat zij opgeblazen en hoogmoe- dig maakt; hij zegt dan niet anders, dan het geen de ondervinding leert: doch het geen niet ten nadeele van kennis en wetenschap kan wor- den uitgelegd, daar het alleen een bewijs op- levert van de noodzakelijkheid der Christelijke liefde, ook voor hem, die de grootste mate van kennis Lezit (), Wilde men, toch, daar- uit, dat PAULUS verklaart en de ondervinding bevestigd , dat kennis , zonder liefde , den^ mensch opblaast, afleiden, dat wij de kennis op zicli zelve, als schadelijk voor onze zaligheid zou- den moeten verachten, en ons wachten voor de beoefening der wetenschappen ? door welke yvij haar verkrijgen; dan zouden wij niet min- der moeten minacliten en schadelijk keuren schoonheid, rijkdom, eere, schranderheid enz. ? welke niet minder, dan de kennisse, opgebla- zen maken den genen, in wiens hart geen Christelijke liefde woont. Ja het zijn niet slechts geleerden , die hoogmoedig zijn, maar niet min- der de ongeleerde wereld, en hoe menig een maakte zelfs zijne heilige onwetenheid opge- blazen (1)1 Blijk- (k) Vergel. i Corinth. XIII. (/) Vrgel. MOSHEIM in zijne verkl. van den cerstm brief dc Corinth. 6p % d. a. pi. ( 7* ) Blijkbaar is het derhalve, zoo ik mij met bedriege, dat ook deze plaats ons geene aan- leiding geeft 1 6m te meenen, dat er gegronde bedenkingen bestaan tejjen het geloof, dat de beoefening der wctenscliHppen en de door de- 2elve hier aanvankelijk aangeleerde kundighe- den ons in de eeuwigheid kunnen bijblijven, om medetewerken tot de vermeerdering van onze geliikzaligbeid. Verdere zwarigheden van eenig aanbelang te- gen dit geloof uij; de reden eu den aard der zake, of uit de Heilige Schriften ontleend, zijn mij niet bekend, en ik make dus geene be- denking, om, als de slotsomrne van het tot dus verre overwogene, het besluit optemaken tot een bevestigend antwoord op bet eerste ge- deelte der prijsvraag, en vasttestellen , dat er voldoende gronden bestaan, om te gelooven, dat ook in dit opzigt de mensch eenmaal zal maaijen van het geen hij hier gezaaidheeft, zoo dat de hier door hem beoefende wetenschappen en aangeleerde kundigheden, in het toekomend Jeven zullen kunnen dienen tot verhooging van zijneji gelukstaat, door hem bestendig bij te blijven en mede te werken tot vergrooting van zijne zaligheid. Daar het toch gebleken is , dat er niet weinig is aantevocren, hetwelk voor de gegrondheid van dit geloof pleit, terwijl er, aan ( 79 ) den anderenkant, nietskan worden aangevoerd , het welk gegronde bedenkingen tegen hetzelve oplevert, kan er geen twijfel zijn aangaande de wettigheid van dit voor de wetenstnappen gunstige besluit. Ik kan dus mi overgaan tot het tweede ge- deelte der prijsvraag, naar aalileiding 'van het welke moet worden onderzoclit: welke dan die wetenschappen zijn , waarop de mensch , haast de kennis van God en zijnen dietist, *ifch in dit ieven vooral behoort toeteleggen, bm van derzelver aanvankelijke kennis, ^o'k laan gene zijde des grafs, de zaligste gevolg^n te kua- nen hopen? . ; I T WEEDE HOOFDDEEL. OnderzoeJs ? ; welke wetenschappen het zijn , op welker beoefening de niensch zlcli gediv- -. rende zijn aardsc/ie leveh vooral be- hoort toeteleggen, om van derzel- ver aativatikelijke kennis , ook aan gene zijde van het graf, cit tailgate gwolgen te kunuen hopen. het onderzoek, tot het welke dit hoofd- deel Lestemd is, geregeld te doen afloopen en het zelve zoo beknopt, als volledig tevens, te doen uitvallen, schijnt het mij , dat er geen nader en zekerder weg kan word en ingesla- gen 5 dan eerst nategaan 3 welke denkbeelden en verwachtingen wij ons, naar Let onderwijs, beide der rede en der openl)armg , hebben te vormen van den toekomstigen gelukstaat der gezaligden , om vervolgens daai- naar to beoordee- len, in hoeverre de wetenschappen en kundig- heden ? clie wij hier kunnen aanlecren ; voor dien dien staat voegen, met de zaligheid, welke Mf zal opleveren, overeenkomen en aan dezelve kunnen bevorderlijk geacht worden. Langs dien weg wil ik dan nu ook verder voortgaan , en , zoo men mij langs den zelveu gelieft te volgen , twijfel ik niet of het zal ons , immers zoo veel dit gedurende ons aardsche leven mogelijk is , blijken , van welke weten- schappen, hier aanvankelijk door ons beoefend, wij , ook aan gene zijde des grafs 5 ons de meeste zalige gevolgen mogen beloven, naast de kennis van God en zijnen dienst. Van die kennis tocli zal ik eerst met een woord (m) knnnen aanwijzen, dat aan dezelve, ook met betrekking tot het nut, hetwelk wij er eeuwig van kunnen trekken , den Loogsten lof toekomt. herder zal ik van de overige wetenschappen eu kundigheden kunnen aantoonen in welken rang . zij naast die kennis verdienen te worden ge- plaatst en geroemd, uit hoofde van hare eeu- wig bljLliivende zalige gevolgen; en met een woord zal ik eindeli/Js ook nog lets kunnen zeggen omtrent zulke wetenschappen, als mo- gen schijnen, of inderdaad bevonden worden ons 11 in (m) Vergel. het Programme van het Ze ((- noegen, de vrees bekruipt hem voor liet Ver*- lies, zijne hebzucht biijft onbeperfet y en^ IHJT Lerooft zich- van alle wezenlijk ^0nt)t v zijwer a goederen. De e^rzuchtige is nimmer tervrc' a den met den trap van aanzien , door hem be~ klommen; hij streeft naar hooger en ce nooit den -eindpaal? zijner wensohen; Het genot' vermaken moge streelend zijn voor ten voor altijd van den getukkigen toestat!> der gezaligden alle kwelling en zielsverdtieu Op deze aarde reeds, en in ; onzen tegenwoor digen , onvolmaakten staat, moet er bij ons een overwigt van genoegelijke. gewa-arwordingerr plaats hebben, zullen wij gelukkig kunnen hee- ten. Naarmate dat overwigt grooter is, is ook ons geluk grooter, en, om eenmaal volkomenr zalig te zijn , moeten de genoegelijke gewaar- wordingen zoo onafgebroken voortduren, dat j aij alle andere onderdrukken en verdringen. Geene bekommerende zorg zal dus de z'aligett* verontrusten , geene zonde inwendige of uit- wendige onrust bij bem aanstoken , geene teleur- stellingen hunne verwacktingen verijdelen, geen smartelijk verlies ben bedroeven, geen.zelfver wijt hen grieven, geene verveling hen kwel- len, geene hinderlijke onkunde en onbevre- digde , weetlust bun schaamte of smart veroor- zaken. Integendeel , bet zal bun .gemoed nooit aan- riist, hunne billijke wensclien nooit aan Levre- diging en hunne edelste vermogens nooit aan^ genoegelijke en nuttige bezigheid ontbreken. De bewustheid en ondervincling der Go^delijke gunst zal hen bestendig verljlijden. In keiipis en deugd zullen zij onophoudelijk gewenscbte yorderftgen maken. Hun werkkririg en bet nut nut, hetwelk zi) in denzelven yoor zichzel) Z. boven bl. 45 volgg. (q) Matth. XXV, i4 volgg. Lnc.XIX, iGvolgg. 2 Cotiiilh. IX , 6 en2. Vergel. ook Rom. II , 13. en Luc. XII , 4j. (r) Luc. XVI, 19 volgg. XXIII, 43. a Corinth. V, i 10 enz. en vergeL MUNTHIKGB Geschiedenis der menschheid naar den Bijbel, IX D. bl. 190 volgg. en d* Terhandel. van het Haagsch Gcnootsch. tot veided, fan den Christ. Godsdicnst voor 8n. (9) Ten jongs ten dage zullen de afgescheiden zie~ len der gelnkzaligen weder vereenigd worden met het ligchaam , hetwelk dan weder opgewekt zal worden, en wel in zullc eenen toestand,dat het geschikt zal zijn voor de werkzaamlieden en het genot dcs toekomstigen levens (s). Door deze wedervereeniging van het ligchaam met de ziel en de Lelooningen, welke God hij hetlaat- ste algemeene oordeel zal schenken, zal het ge- luk der gezaligden aanmerkelijk worden ver- meerderd (tf). Ten alien tijde zal hetzelve zijn en Llijven van eenen geestelijken aard (u). Het zal voor- al Lestaan in eene volkomene vrijheid van zon- de en ellende (v), eene meerdere mate van zui- vere kennis van God en Goddelijke zaken (>), voorspoedige heoefening der deugd en onophou- delijke Godverheerlijkende en nuttige werk- zaamheid (,v). Het geluk der gezaligden zal door hen wor- den genoten in, en vermeerderd door het edel- ste gezelschap , met het welke zij in eenen staat van (*) i Corinth. XV. VI, 1 3. Lac. XX, 34. Bom. VI , 9 PKil. Ill, 21. (/) Verg. MUNTINGHE t. a. pi. bl. 1 88 "volgg. (w) Z. boven bl. 45 volgg. (v) Opcnb. XXI , 4. i Joh. Ill , 2. (w) i Corinth. XIII, 9 12. (*) i Corinth. XIII, 8. Opeab. VII, i5 enz f ( 9' ) van Maatschappij zullen leven. Zij zullcn altijd bij den Heer zijn (^'), met de Engelen omgaan en met de edelste mensclien van alle v oik en en eeuwen vereenigd worden (r:). Ook de woonplaats , welke him zal worden aangewezen, zal het hare toehrengen tot ver- meerdering linnner zaligheid (a}. Eeilwig zal die gelukzaligheid duren (//) en zonder einde toenemen (c). Volgens het vereenigd onderwijs onzer rede en der Heilige Schriften moelen wij ons dus de volgende voorstelling vormen van den toe- komstigen gelukstaat der gezaligden. , Na den dood van hnn ligchaam Llijft hunne ziel voortleven met bewustheid; zoo dat haar bijhlijve de herrinnering van het voorledene en zij vathaar blijve voor genot en werkzaam- heid. (>') Joan. XII, 26, 32. i Thess. IV, 17 (z) Openb. VII, 9, 11. Hebr, XII, 22, 23. Luc. XIII, 3.8 enz. (a) De Bijbel noemt die den. kernel , en besclirijft dcozelven allerwege als ailerheerlijkst. Er is dus gccn twijfel aan , of hi; zal juist gescliikt zijn voor de gezaligden en bcvordevlijk aan hunne \verktaarnheden en htm genot, (6) Maith. XXV, 46. (c) " Quod quidem , qtiamquam discrtis verbis non .doccant ,, sacrae literae , vel e sola ejus p^ncnnitate consequituv 5 urpot pcrquam nova continuo beatitati pabula submiuistrabuutur,'* Vrba suut Cel. MUKTJKGHII Thcol. Christ. 280. (90 held. Zij gaat dan ook , terstond na het afleg- gen van haar stofFelijk omkleedsel , over tot een hooger trap van gelukzaligheid , dan op deze aarde kan worden bereikt. De toestand, in welken zij zoo verplaatst wordt , is voor haar eene onmiddelijke voort- zetting van, en als gevolg ten naauwste ver- bonden aan haar leven op deze aarde. De meerdere of mindere mate van geluk, welke zij in denzelven geniet , regelt zich naar de wij- ze , op welke zij zich den tijd harer voorherei- ding heefl ten nutte gemaakt, om te vorderen in kennis , geloof en deugd. De zaligheid, welke de vrienden van God in .dien toestand zullen genieten, zal niet voort- vloeijen uit, of vermeerderd worden door zinlijk genot, ligchamelijke verrigtingen ? vleeschelijke betrekkingen , of de heoefening van iets , het- welk alleen op het ligchaam en deszelfs belan- gen invloed heeft. Met het afleggen van het stoffelijke en sterfelijke ligchaam toch houdt al- les op, wat alleen door hetzelve kan worden genoten en verrigt , en alles , wat alleen in des- zelfs bestaan zijnen grond heeft, verliest zijne \vaarde. Van eenen geheel geestelijken aart zal het jgeluk , tot hetwelke de gezaligden overgaan na dit dil lev en , bestaan in eene zalige en voor elk naar de mate zijner vatbaarheid , volkomene vergenoegdheid en tevredenheid met zijntfn to^r stand. Die zalfgende tevredenheid zal bij hen voort-* spruiten uit eene volkomene bevrijding van al* les, wat de rust en den vrede der ziele kansto- ren , smarte en verdriet veroorzaken ; vooral uit eene meerdere mate van zuivere en nuttigc kennis , meer volkomene deugd , dan wij op de~ ze aarde kunnen beoefenen en de nuttigste God- veuheerlijkende werkzaamheid. In dit een en ander zullen de gezaligden , ontslagen van hun zinnelijk en zondig ligchaam , de gelukkigste vorderingen maken , en zoo zal hunne zaligheid met deze hunne vorderingen toene&ien, Ook bunne woonplaats en de omstandigheden , in welke de zaligen zicli zullen bevindeu aan gene zijde des grafs , zullen bevorderlijk zijn aan bun genot, door hen vrij te waren voor alles, wat bun gerioegen zou kunnen storen ? en hen , zoo veel dit van woonplaats en omstandigheden a- bangt , in de gunstigste gelegenheid te stellen tot vermeerdering van hunne kennis , deugd en nut- te werkzaamheid. Inzonderheid zal bun hiertoe dienstig zijn dc staat van Maatschappij , in welken zij zullen Ic- (94) Ten , onder liet geleide van JEZUS CHRISTUS t met de Engelen en de beste en edelste menschen "Van alle eeuwen. Eenmaal zal hunne ziel , weder vereenigd wor- den met him h'gchaam , hetwelk > nit den dood opgewekt, geestelijk , heerlijk en onsterfelijk zal zijn , en dus ontdaan van alles ? waardoor liet op deze aarde hinderlijk was aan him geluk, De weder vereeniging met zulk een ligchaam zal het geluk der gezaligden niet minder doen toenemen , dan de belooningen , welke him de regtvaardige Regter ter zelfder tijd zal toe- voegen. Eeuwig zal dit hun geluk duren : en einde- loos nienwe vorderingen makencle in de nnt- tigste kennis, zuivere deugd en derzelver ijveri- ge en gelnkkige Letrachting , zal hunne zalig- heid ook eindeloos toenemen. Het zal niet noodig zijn alle deze Lijzonder- heden hier breeder uit een te zetten. Zonder te groote uitvoerigheid zou dit ook wel niet knn- hen geschieden. Ik onthoude mij daarom van verdere uitweidingen , welke in ecne opzettelijke verhandeling over den aard der toekomslige ge- lukzaligheid misschien wel niet te onpas zouden komen, maar die hier minder op hare regte jplaats zouden staan , omdat zij tot het hoofddoel dezer ( 95 ) dezer verhandeling niet worden vereischt of in eene regelregte betrekking staan. Vooral ont- lioude ik mij van Let aanvullen van hetgeen wij niet met genoegzame zekerheid aangaande den toekomstigengelukstaat weten, uit gissingen, die, hoewel niet geheel en al van alle waarschijn- lijkheid ontbloot , en als blijken kunnende die- nen van het vernuft van ben, die dezelve heb- ben geopperd, echter geenen genoegzaam vas- ten grond opleveren (d) , om ons oordeel over bet meerdere of mindere nut , betwelk wij ons in een toekomend leven van onze kundigheden en de door ons beoefende Wetenscbappen mo- gen beloven, met eenige zekerbeid op te bou- wen : en ik ga dus , zonder mij verder op te houden, over, om naar de opgegevene en, zoo ik meene , genoeg voor mijn oogmerk ontwik- kelde en bewezene , voorstelling van den ge- lukstaat der gezaligden na dit leven, te beoor- cieelen van welke Wetenscbappen en kundighe- den wij , in dien gelukkigen toestand , het mees- te bijblijvende nut mogen verwachten ter ver- meerdering onzer zaligheid, op dat dit ons ter aanmoediging en opwekking moge zijii, om in dit leven ons vooral op het aanleeren derzelven toe te leggen. De (d] b. v. Van LAVATBR in zijn boek getitold ; dussichtt im die Eeuwigkeit* De prijsvraag van het Zeeuwsche Genoot- schap en derzelver nadere ontvouwing in het programma voor het jaar 1819. vooronderstel- len, dat met betrekking tot dit nut, de hoogste lof en eersle rang toekomen aan de kennis van God en zijne dienst en die Godsdienstige we- tenschappen, door welker beoefening wij deze tennis verkrijgen. Het zal dus niet noodig zijn, Lreedvoerig te betoogen , dat die kennis en we- tenschappen in het volgend leven niet minder, dan in het tegenwoordige , steeds voor de vrien- den van God en zijnen dienst zullen zijn en hlijven eene rijke bron van genoegen en geluk- zaligheid. Niet ondienstig zal het kunnen ge- acht worden, hier eenigzins uiteen te zetten, Wat tot de kennis van God en zijnen dienst en de wetenschappen , door welker beoefening wij die verkrijgen, moet worden gebragt, en met een woord aantewijzen, welken heilzamen mr- vloed wij ons van die kennis en wetenschap- pen, hier door ons aangeleerd, mogen beloven op het eeuwig geluk des volgenden levens, en tvaarom wij dien heilzamen invloed van dezel- Ve meer, dan van eenige andere kundigheden , tnogen verwachten. De kennis van God en zijne dienst sluit in *ich de kennis van Gods wezen en eigenschap- pen ( 97 ) pen en de betrekkingen , in welke liij staattot ons en tot het heelal , voor zoo ver het ons op deze aarde vergnnd is ons met dit een en an- der eenigzins bekend te maken. Vooral be- hoort tot dezelve de kennis van het weldadig plan van God met de menschen, zoo als ons dat in den Bijbel , en inzonderheid in het Euan- gelie van JEZUS CHRISTUS , wordt geopen- baard , en van onze pligten , in welker getrouwe en gewiilige beoefening eigenlijk de dienst van God bestaafc. En tot die Godsdienstige weten- scliappen , door welker beoefening wij deze ken- nis van God en zijnen dienst verkrijgen en ons gedurig mecr en meer met derzelver schatten verrijken, meen ik te moeten tellen: voor alle dingen,eene gezette en verstandig ingerigte Bij- belstndie , aan welke bui ten twijfel de eerste plaats moet worden toegekend onder alle Godsdien- stige wetenschappen , en die boven alles gescliikt is , om ons met God en Zijne dienst regt be- kend te maken. Verder komen hier in aan- merking de Natuurkunde, de Gescliiedenis en de zedelijke en afgetrokkene Wijsgcerte , in zoo verre dezelve worden beoefend met het regel- rcgt en uitsluitend docl , om God en onzen pligt te leer en kennen. Men kan, namelijk, deze wetenschappen i3 be- Iteoefenen op velerlei wijze en met zeer onder- Scheidene oogmerken: men tan zich bij zeer verschillende gedeelten van dezelve bepalen, daar zij van eenen zeer wijden omvang zijn. Be eene wijze Van beoefenen is Jbuiten twijfel ttuttiger dan de andere, en het eene gedeelte der genoemde wetenscliappen van veel meer Belong, dan liet andere. Doch vooral verdie- rien zeker de Natuurkunde , de Gescliiedenis en de zedelijkc en afgetrokkene Wijsgeerte, gelijk door zoo vele groote mannen is gescliieil, te worden beoefend met het meer bepaald doel, Om door dezelve on s nader met God en Zijne dienst bckcnd temaken^en die gedeelten, wel- fee daartoe boven andere geschikt zijn, verdie- nen bij, voorkeur door ons te worden beliar- tfgd. Voor zoo ver wij ons nn, met dat be- paalde doel , op de daartoe boven andere ge- scliikte vakken der genoemde wetenscliappen toeleggen, zijii dezelve niet alleen bij uitstek dienstigc hulpmiddelen ter verkrijging en ver- ineerdering van Godsdienstige kermis, maar worden zij ook voor ons eigenlijk gezegde Godsdienstige Wetenscliappen. Onderzoeken wij , bij voorbeeld, de Gescliie- denis met oogroerk, om in dezelve natesporen dc Veelvuldige Llij'keh van do wijze, wclda- (99) dige en magtige zojge dor G-oddcljijlLe bier te pas komende, met een enkel woord te moeten aanstippen, en ik ga dus nu over, om van de overige kundigbeden en wetenscliappen aan te toonen , in welken rang zij naast de ken- nis van God en Zijne dienst verdienen te wor- den geplaatst en geroemd uit boofde van bare in de eeuwigbeid bijblijvende zalige gevolgen, i4 waar-i waarom wij er ons dan ook vooral in dit leven op'behooren toeteleggen, om van derzelver aan- vankelijke kennis ook aan gene zijde des grafs de zaligste gevolgen te kunnen hopen. Wanneer wij ons oordeel hierover rigten naar de voorstellingen , welke wij ons, volgens bet onderwijs der rede en der Heilige Schriften van den toekomstigen gelukstaat moeten yor- men, dan bcvinden wij in liet algemeen, dat ons kunnen bijblijven in een volgend gelukkig leven, om mede te werken aan de bevordering onzer zaligheid, door derzelver voortdurende beoefening en invloed, en dat wij dus, op de gelegde gronden, mogen verwacbten, dat ons tot dat einde zullen bijblijven alle zulke we- tenscliappen , welke, schoon niet rcgelregt en uitsluitend beoefend of te beoefenen ter verkrij- ging van kennis van God en Zijne dienst, ecliter genoegzame overeenkomst en punten van aanraking hebben met den toestand, de werk- zaamheden en liet genot der gezaligden, om bij dezelve te kunnen . worden beoefend en op de eene of andere wijze te kunnen dienen tot ver- meerdering van hua geluk. - En die overeenkomst kan gelegen zijn in de voorwerpen, omtrent welke zij verkeeren, en die, als het ware, de stof uitmaken, welke wij, I0 7 wij, bij derzelver beoefening, behandclen en bewerken. Wanneer, namelijk, die voorwer- pen van dien aard zijn , dat zij , ook nog in den toekomstigen gelukstaat, voor ons belang- rijk kunnen en moeten blijven, dat zij met ons tot dien staat zullen overgaan , dat zij ook nog in dien staat voor ons zullen blijven bestaan en wij ons nader met dezelve zullen kunnen be- kend maken, of dat bet allbans te wachten is, dat wij ons in denzelven andere gelijksoortige zullen zien aangeboden ter besebouwiiig en ge- nieting. gtio Die overeerikomst kan verder gelegen zijn in de strekking der wetenscliappen en kundighe- den, bier door ons aangeleerd, om ons nader te brengen aan bet zelfde doel, welks berei- king wij ons in een volgend leven zien voor- gesteld als onze bestemming en ons boogst geluk. Eindelijk bebooren ook de wijzc van , n de hulpmiddelen tot beoeiening der wetenschappen genocg te strooken met bet geen wij van den toestand der gezaligden weten, om ons te kun- nen beloveiij dat zij ons, eenmaal in dien toe- stand verplaatsi , ook nog zullen bijblijven en bevorderiijk zijn aan ons beil eri onze vreugd; lit zij ? dat wij kunnen vcrwacbt en ? dat wi) daar daar op dezelftle wijze zullen kimncn voort- gaan en dqzelfde of soortgelijke Imlpnuddelen ons zullen blijven ten dienste staan ; het zij > dat die wijze van beoefening vatbaar is voor 2ulk eene wjjziging, welke overeenkomt met onzen staat en onze omstandigheden in eenvol- gend gelnkkig leven, of dat het gcmis dcr hulpmiddelen , van welke wij ons hier moesten }>edienen, ons kan worden vergoed, zoo dat het ons niet hinderlijk zij, of de voortdurende beoefening dier wetenschappen, bij welke zij ons diende, onmogelijk make. Naarmate nu deze overeenkomst tussclien de wetenschappen en den toestand, de werkzaam- heden en bet genot dcr gezaligden in bet toe- komende leven, in deze onderscbeidene opzig- ten grooter is-, mogen wij gemst vaststellen, dat zij bij voortduring zullen blijven medewer- ken, om het geluk, op bet welke wij aan gene zijde des grafs hopen , te vermeerderen > en dus ook aan deze zijde door ons verdienen te worden behartigd en aangeleerd. En de rang, in welken wij , met betrekking tot dit zoo be- langrijk en zoo weinig in het oog gelioudene punt , de wetenschappen naast de kennis van God en Zijne dienst hebben te plaatsen , moet derhalve geregeld worden naar de nieerdere mate mate ran deze overeenkomst , voor z6o Ve* Wf die eenigzins op goede gronden kunnen be* palen. De eersteplaats in dien rang meene ik daar^ om te moeten toewijzen aan die ween$chap-* pen, of derzelver bijzondere takken , welke hier door ons kunnen (h} worden beoefend en gebruikt als hulpmiddelen tef zttivering en ver meerdering van onze kennis van God en die pligtcn, door welker betrachting wij hem die- nen, ofschoon derzelver beoefening tiier tiiet, immers niet meer bepaald en rcgelregt tot dat doel worde'gerigt(i). En onder deze meene ik voor [alien te moe- ten noemen de Natuurkundige wetenscliappen : met name, de Natuuurlrjke Gescltiedcnis , de Starrekunde en de Proefondervindelijke Na- tuurkunde. Trouwens , wel is waar , tot dezelve behoorea sommige vakken, welke zeer weinige of geene punten van aanraking schijnen te liebben met dien staat van geluk , welke wij in het toe- komstige leven voor de gezaligden verwachten , en (A) Z. boven bl. 97 volgg. -.^j () D.it de bedoelde wetenscliappen , oolc feonder dit meer be- palde doel, op eene iu vle opzigfrero nuuige wije kuime*'-fror- den beoefend en door relen beoefcnd zijn , behoeft hier niet te wordtm aangtoond. en geheel niet te strooken met de voorstellin- gen, welke wij ons maken van hunnen toestand. De waterbouw-, waterloop en werktuigkun- de, bij voorbeeld, verkeeren omtrent voorwer- pen, wier beschouwing en beliandeling wij ons wel niet kunnen voorstellen in den hem el onze bezigheid te zullen uitmaken, of daarvoor ons van belang te zullen zijn; derzelver strekking bepaalt zich bijna uitsluitend tot de bevorde- ring van de belangen van bet tegenwoordige maatschappelijke leven; de wijze van en de hulpmiddelen tot derzelver beoefening kunnen wij ons in aard en gebruik wel naauwlijks ver- beelden zoo gewijzigd, dat zij zouden kunnen passen voor een geheel geestelijk leven. Van de ontleedkunde kan ? immers wat bet eerst- en laatst- opgegevene punt van overeenkomst betreft, bijna het zelfde worden gezegd: en de werktuigen, van welke wij ons bedienen bij de beoefening der Proefondervindelijke Natuurkun- de en Starrekunde, en aan welke wij zoo ge- heel gebonden zijn , dat wij zonder dezelve gee- ne vorderingen in de kennis dezer wetenschap- pen maken , of nieuwe ontdekkingen doen kunnen, zullen wel zeker met onzen dood op- bouden ons van verderen dienst te zijn. Doch, om nu niet te zeggen, dat de beoefe- ning der genoemde en andere diergelijke v*ak- ken der Natuurkunde het hare toebrengt, om ons bekend te maken met de eeuwige, onver- anderlijke en hoogstwijze wetten der Natuur; dat zij ons van het grootste nut is in het be- oefenen van de overige vakken der Natuur- kunde, zoo dat wij haar niet kunnen verzui- men , wanneer wij ons ook met deze regtwilleii bekend maken ; dat de beoefening der genoem- de en diergelijke gedeelten der Natuurkundige wetenschappen , schoon minder regelregt, ech- ter ook eene zijdelingsche strekking heeft ter beyordering van de kennisse Gods en de be- trachting der deugd; dat, wat de werktuigen betreft, welke hier voor ons noodzakelijk zijn, de kennis, die wij hier door derzelver gebruik verkrijgen, met ons overgaat in een volgend leven, om ons daar vercier te dienen en wij onzen geest niet gelijk ons aardsche ligchaam aan het gebruik dier werktuigen behoeven ge- bonden te achten , en wat hier verder van dien aart zou kunnen worden bijgevoegd; zeker is het, dat, ook schoon wij eenige vakken mog- ten moeten uitzonderen , de Natuurkundige we- tenschappen in het algemeen en derzelver be- oefening, in vele opzigten , zoo zeer strooken en zoo vele punten van aanraking hebben met den toestand, de Werkzaamheden en de genietingen gezaligden in een volgend leven, dat wij yooral ook van hare studie en de kundigheden, welke wij hier door dezelve aanleeren, mogen yerwachten , dat zij him in de eeuwigheid zul- len Lijblijven en krachtig medewerken ter be- vordering van hun geluk. Zien wij toch op de voorwerpen, omtrent welke hare beoefening verkeert, die zijn gewis, over het geheel genomen, van dien aard, dat zij , ook nog voor de gezaligden in hunnen toe- komstigen gelukstaat, in vele opzigten Lelang- rijk kunnen en moeten blijven. Veelligt toch , dat sommige dier voorwerpen ook daar nog, Waar wij na onzen dood zullen gelukkig zijn, weder eenmaal door ons zullen worden aan- getroffen. Immers zullen wij ook daar om- ringd zijn door veelvuldige gewrochten van Gods scheppend vermogen, welke ons zullen opleiden tot de kennis en bewondering van zijne wijs- heid, almagt en goedheid; en ongerijmd is het zeker niet zich voortestellen , dat onder deze ook van die zullen gevonden worden, welke reeds op deze aarde met ons hehhen testaan, doch welke hier niet door ons gekend zijn , of konden worden. Zal deze aarde eenmaal, heerlijk vernieuwd, gelijk wij schijnen te mo- gen verwachten (), althans voor sommige ge- W a Petr, III, i3 ( "3 ) zaligden uit het menschelijk geslacht ter woon- plaats verstrekken , wie weet hoe vele van die voorwerpen, welke liaar thans versieren, en de nasporingen der natuurkenners bezig houden* met liaar heerlijk vcrnieuwd, ook in een vol- gend leven hare gelukkige Lewoners stof tot bewondering en bezigheid zullen verschaffen? Zeker blijft ons de gedachtenis bij van die aard- sche schepselen, met welke wij ons liier meer of min naauwkeurig liebben bekend gemaakt en in zoo verre gaan zij ten minste zeker met ons over in het volgende leven. In dat volgen- de leven worden wij eenmaal weder met ons ligchaam vereenigd, en hoezeer het zelve ook in vele opzigten moge veranderd zijn in hoeda- nigheden, het zal daar gewis een evenwaardig voorwerp zijn van onze bewondering, als het dit liier geweest is, en wel in zoo ver het zelf- de, dat de kennis, die wij hier van het zelve gekregen heLhen , ons ook daar bij deszelfs be- schouwing zal te stade komen. Zeer veel van het geen thans bestaat en door den Natuurken- ner wordt onderzocht met inspanning' van alle zijne vermogens , zal voor hem ook in de toe^- komcnde wereld blijven bestaan als voorwerpen van zijne kennisneming en belangs telling. Naar diezelfde eeuwige, onveranderlijke wetten,naar i5 wel-j welke hij Iiier tfc Natuur liarcn loop ziet rigtei* jen in wclke hij met vcrbazing ontdckt de heer- Jijkste blijken van de schoonste orde en over- eeustemming, zal zij zeker ook in de eeuwig- licid worden bestuuid. Diezelfde Hemelbollen, Welke liier den Starrekuiuligen eene oneindig rijke stof tot nadenken en onderzoek opleveren^ z^llen rondom hem Llijven wentelen en schijncn , \vaar hij zich ook in het onmeteliik ruim der . - . schepping Levindt : en zouden die heerlijke wet- ten en HemelLollen dan niet voor den Godvruch- iigen Natuurkenner, Ook nog na zijnen dood , voorwerpcn Llijven van belangstelling ? Zou liij zich daar niet meer met dezelve hekendma- - ken , waar hij zich hoogstwaarsclujnlijk in veel gunstiger omstandigheden zal Levinden , dan nicr,om zijne kennis van dezelve nit te breiden en te volmakeii? Welk een schat van voorwer- pen, minder of meerder gelijksoortig aan die, Welke op deze aarde de aandacht der Natuur- ktindigen bezig hielden ? mag voorts wcl de eeu- Wigheid ontsluiten voor de gelukkige deelgeno- len harer zaligheid I Zien wij verder op de s trekking der Natuur- kundige Wetenschappen , wie zal het ontkennen of in twijfel trekken, dat derzeiver beoefening bij uitnemenheid geschikt is om ons nacler te iren- brengen aan dat docl , welks bereiking wij ontf in bet volgend leven voorstcllcn als cms lioogste geluk ? Hoe vole iiitnmntende Natuurkundigeri zoiule ik anders hier kunnen' opnoemen , ont door him voorbeeld te staven : hoe vele rede- * mm, uit den aard der zake ontleend , waren er' hij te voegen om te bewijzon , dat diezeli'de nut- tige kermis , welke wij verwachten in eene rui- mere mate te zullen deelaclitig wordcn aan ge- ne zijde dcs grafs, en met welke wij liopen daar ons geluk gedurig te zullen zien toenemen , ncr- gens meer door kan worden bevoi derd en uitge- breid, dan door de beoefening der Natuurkuride ; terwijl zij niet minder dienstig is , om op te leiden tot deugd en nuttige werkzaambeid , van welker mate vooral in de toekomst de mate onzcr za- ligbeid zal af hangen. Mogt men intusschen te- gen de voorbeelden van een NEXVTON , BOY.TLE , NIEUWENTIJD , BOER HAVE en andcrcn ., op welke ik mij hier zou kunnen beroepen , wil- len overstellen die van zulke Natuurkiindigen , welke bij al den roem , dien zij zich hebben verworven door hunne grootc vorderingcn en belangrijke in de door hen beoelende vakken 7 maar al te veel aanleidmg hebben geg-even, om te vermoeden , dat zij overhelden. tot. betwijfe- ling en ontkenning zelfs van de eerste en be- langrijkste waarhcden van de Godsdienst : ik ant-r (n6) ontkenne niet, dat er zulke voorbeelden kun- nen worden aangevoerd; docb, aan den eenen kant , schijnt mij dcrzelver getal te klein , om zicli op hun bestaan te kunnen berocpcn als een bewijs , dat de beoefening der Natuurkun- dige Wetenscbappen niet die gunstige strekking zoude hebben, welke ik aan dezelve meen te moeten toekennen: en aan den anderen kant scbijnthet mij blijkbaar, dat bun betwijfeien of ontkennen van de eerste en belangrijkste waar- heden van de Godsdienst af te leiden zij , niet nit bunne beoefening der Natuurkunde, maar uit gebcel andere oorzaken. Bij den eenen , bij voorbeeld, uit bet gebrekkig Godsdienstig on- derrigt 5 door hem genoten : de ontdekking van welks gebreken , bij de toenemende bescbaving van zijnen geest en uitbreiding van zijne ken- nis ? bem deed overslaan tot bet vcrwerpen , of in twijfel trekken van bet zekere en welbewc- zene tegelijk met bet bijgeloovige en op voor- oordeelen gegronde. Bij den anderen uit hoog- moed of andere verkeerde neigingen des bar ten. Bij eenen derden uit ondervondene misbandelin- gen van de zijde van eene onkundige of bijge- loovige geestelijkbeid (/). Op sommigen moge ook (7) Het is belcend Iioeveel tie groote GALILEI lucrvan lieeft Ihoetcn lijden. Vergcl. Hisforische berichtcn van het leven en da Schriften van G. GALILEI door G. J. SAGEMA^ uit het tloogd. ( "7 ) ook wel , niet tegenstaande burinen verkregenen roem , liet : pJiilosophia obiter libata Atheosfa- cit van BACO toepasselijk zijn ; dan ik kan dit een en ander liier niet nader uit een zetten en in de voorbeeiden aanwijzen zonder te groote breedvoerigbeid. Zien wij eindelijk op de wijze van en de hulpmiddelen tot de beoefening der Natuurkun- zal zoo veel meer bijdragen ter bevordering van bun geluk, als zij zich meer in staat bevinden en bevlijtigen, . orn zich met de wonderen van Gods wijsheid, almagt en goedheid / die zij daar zullen aantref- fen , bekend te maken : en van welk eene dienst kan bun , ook in dit opzigt , de beoefening der Natuurkundige wetenschappen zijn! Eenmaal weder vereenigd met een ligchaam, geschikt voor de werkzaamheden en het genot des toekomstigen zaligen levens , kan ook die wedervereeniging invloed hebben op de geluk- kige voortzetting van hunne Natuurkundige na- sporingen, en de ontdekking van veelvuldige geheimen ter vermeerdering van hunne zalig- lieid. Bij den oneindigen rijkdom , welke de schep- ping oplevert, en de grondelooze wijsheid, door welke zij wierd voortgebragt, nog wordt on- defhouden en bestuurd , kan het nimmer aan de gelegenheid tot het maken van vorderingen in het doen van Natuurkundige ontdekkingen ontbreken. Eeuwig nieuwe en rijke stof moet er in het onbegrensde Heelal zijn te vinden , ,\vaardig onze nasporingen en geschikt om ons nut- ( "3 ) nuttig bezig te houden en te vervullen met eer- bied voor Hem , die alle diugen heeft gescha-j- pen: en de Natuurkundige wetenscbappen en de kuridigbeden , welke wij door derzelver beoe- fening verkrijgen , kunnen oris dus eeuwig bijr- blijven , en eeuwig medewerken tot de voort- during en vermeerdering van ons geluk. Zoo ik mrj hier wilde inlaten in bespiegelin r gen over , en bet sclietsen van tafereelen van de werkzaambeden der gezaligden bij bet navor- schen der Natuur; bet nut, betwelk zij bij bnii- ne onderzoekingen kunnen trek ken van de bier door ben aangeleerde kundigbeden van de wer- ken en wetten der Scliepping ; de vorderin- gen , welke zij 3 in de gunstigste omstandighe- den geplaatst, in oogenblikken , meer.dat bier in jaren , zullen kunnen maken in de Natuur- kundige wetenscbappen ; bet genoegen betwelk bun deze vorderingeri zullen verscliaffenj de on- derlinge oefening en zanienwerking tot vermeer- dering van dezelve 5 den oneindigen rijkdom der Natiiur (ti) , yoor ons zoo onuitputtelijk in stof, als de Almagtige in wijsbeid en wat meer van dien aart kan genoemd worden, elk gevoelt, dat daartoe eene zeer goede gelegen- beid (w) Men vindt over tlit ouderwerp schoone veitogen in SANDER Coedh. en wijsh. Gods in de Natuur , bl, 86 volgg. en B. DJB Sr. PIEUIUS titudes de la Nature , Tom 1 4 iilude ( 1 4 ) held zoiule zijn : cloch tevens ziet elk, dat die i>espiegelingen en tafereelen met een groot aan- tal gissingen en waarschijnlijklieden zouden moe- ten wordcn aangevuld , en dat zij eene te groo- te uitgebreidheici aan dczc veiliandeling zouden gcven. Ik onthoude mij daarom van dezelve , Om over te gaan tot do afgetrokkene en ze- delijke Wijsgeerle (o), welke ik in rang op. de Natuurkunde meen te moeten laten volgen. Tot dezelve kunnen gebragt worden de vier volgeride wetenschappen : ds Zielkunde (Psycho- logic) , de naluurlijke Godgeleerdheid , de Ze*~ deleer en da Rcdeleer (Logica). De tweedevan deze vier belioort tot die wetenschappen , welke in de meest regelregte Letrekking staan tot de kennis van God en Zijne dienst, en van wier beoefening de vcrkrijging en vermeerdering van die kennis liet regtstreeksclie doel en gevolg is. Deze behoeft dus liier niet verdcr in aanmer- king te komen. Daar de dienst van God bestaat in de be- oefening der deugd , en de zedekunde ten doel heeft, om ons met onze pligten, in onze ori- derscheidene betrekkingeri , bekend te maken , en tot derzelver betrachting op te leiden, be- boef (o) Vergel. BEATTIE Grondbcg. der Zedelij\e. Wetensth. ttit bC Eg. door den Hoogl. IlKXMira' , i 1). in de hileidlng. ( hoef ik mij ook bij haar niet op \c Louden, om aan te topnen, d<*t en hos 34) ook w dan t)ix, de fosteri & dan zijn .eigcn gcslacht, deszelfs trapswijze vor- ming en voortgang? Veel moge er.yoor de gezaligden in de geschieclenis klein scliijnen ? liet welk ons bier groot voorkorht : yele tiadcn , wei- ke zij met lof vermeldt 3 mogen voor hen ? bij liet liclit der eeuwiglieid , alien liunnen glang verliezen ; vele tijdclijke Leiangen van hijzon- dere mensclien of gelieele volken , liier niet zej^ den voorwerpen van zoo vcle Lelangstelling, en. aanleiding gevende tot de grootste gebeurtenis- sen , mogen linn , op zicli zelve Lescliouwd ? om- trent zoo voorkomen, als meergevorderden in jaren het speelgoed Inmner jengd en hnnne kin- derli-jke spelen doch de meiisch zelve en de vorming der menschheid, de hoofdzaak in di geschiedenis voor derzelver pragmatischen be^ oefenaar, kan nimmer ophouden van belang t^ zijn voor den mensch, in welke omstandighe- den liij zicli ook moge bevinden. Ja, naar mate de eeuwigheid liem aangaancle deze hoofd* zaak meer oplielderingen geeft, door bet ont* wikkelen van een aantal raadsels, moet de ge-^ scliiedenis voor liem toenemen in belangrijk*p lieid : niet alleen voor zoo ver die ontwikkeling een belder liclit tenig werpt op bet reeds ge~ beurde, maar ook in zoo verre zij bij voort^- during nieirwe belangrijke verscbijnselen en gebeurtenissen blijft opleveren. De gescluedc^ * nis nis van bijzondere personen en van het gansche menschelijke geslacht, trouwens, eindigt niet met him bestaan op deze aarde, maar wordt ook aan gene zijde des grafs tot in de eeu- wigheid voortgezet en kan en zal buiten twij- fel , ook door de gezaligden , als hoogstbelang- rijk worden beschouwd en beoefend, ja voor hen gedurig zoo zeer toenemen in belangrijk- heid, dat wij er ons bier wel gcen denkbeeld van kunnen vorinen. Dat de voortdurende beoefening dezer Weten- schap een uitnemend gescliikt middel is, om ons in kennis , deugd en nuttige werkzaamheid belangrijke vorderingen te doen maken , onder- vinden wij reeds bier in velerlei opzigten. Ook door deze hare strekking zal zij dus eene bij uitstek gescbikte bezigheid opleveren voor die gelukkigen. En, schoon zij deze wetenschap niet gelijk wij zullen kunnen beoefenen , door bet raadple- gen van oudere en nieuwere oorkonden, lict vergelijken en zamenstellen van derzclver be- rigten enz. , is er toch wel geen twijfel aan, of dit kan op velerlei wijze worden vergocd en den gezaligden kunnen hulpmiddelen ten dien- ste staan, van welke zij zich met niet minder vrucht kunnen bedienen, dan wij van die, wel- ke ( i35 ke otis bier ten dienste staan. Zondcr al tc toe te geven aan gLssingen , mogen wij bet toch daarvoor houden, dat, behalve dat bet geheu- gen der gezaligden zal blijven bewarcn liet geen hun liier van vrocgere en latere gebeurtenissen bekend wierd, zij onderling ook dkandereu zullen kunnen mededeelen liet geen, geduren de den tijd van bun aardscbe leven, onder bun oog is gescbied, of anderszins tot bunne ken- nis gekomen , en dat zij zoo doende zelfs meer- dere zekerbeid van vele, vooral in vroegere tij- den gebeurde, zaken zullen kunnen verkrij gen, dan wij bier bebben, of zelfs bebbeii kunnen. Scboon dit ook al langs geenen an- deren weg mogte gescbieden, kan zoo ook.. door onderlinge mededeeling 3 telkens weder ter kennisse der gezaligden worden gebragt Jiejt geen, na den tijd van bun verscbeiden , op der- ze aarde voorviel door de telkens nieuw aan-r- komende leden hunner gelukkige Maatschappi| Stof tot vergelijken en aanvullen zal bun bui- ten twijfel ook steeds kunnen verscbafFen bet geen in deze hunne Maatscbapprj zelve gebeurt en bet geen , hoe groot en uitgebreid wij ons die Maatscbappij en derzelver verblijfplaats ook mogen voorstellen, toch zeker tot hunne kea- nisse zal kunnen worden gebragt. Van de hier, bij het onderzoek tier geschie- denis , verkregene kundfgbeden en do voortdu- tende beoefening dezer Wetenschap mogen wij &ns dus, op den besten grond beloven, dat zij in eene mime mate zullen blijven medewerken ter bevordering van ons geluk in de eeuwig- Op de genoegelijkste en nuttigste wijze zal onze ziel, van liet ligchaam afgescheiden , zich tunnen bezig houden met liet herdenken ? ver- gelijken en aanvullen van de hier door haar verkregene gescliiedkundige kennis, Door de- zelve zal zij zich laten opleiden tot de erken- fenis en bewondering van de Goddelijke magt ? -Wijsheid en liefde in het bestuur der mensche- lijke zaken , van het begin van het bestaan van ons geslacht op deze aarde. Zoo zullen de tundigheden , hier bij de beoefening der ge~ schiedenis aangeleerd en de voortgezette po- gingen, om dezelve te zuiveren en te vermeer*- deren, reeds terstond na hunnen overgang uit dit leven, den gezaligden kunnen dienen tot Vermeerdering van bun geluk. En bij voort- during mogen zij zich gewis van hunne hier aangevangene en in den hemel voortgezette l)6efening der Geschiedenis het grootste genoegen cn liet grootste nut beioven in de eeuwigheid. D0 t)e gedurig voortgaande ontwikkeling der schiedenis, de onverwaclitste en trefiendste ont- i^nooping van hare raadsels zullen tclkcns voor de gezaligden oplossen , in de heerlijkste overeen- ^stemming ,iliet geen bun bier wanklank scheen in den loop der dingen : en welk een geno.cgcn him ,dit schenkon zal, kunnen wij ccnigzins gevoe- .len , wanneer wij ons voorstellen , welk eene t voldoening het hier reeds vcrschaft a an het .Godvruchtig gemoed, wanneer zieh voor het- zelve eeniffe duisteji-heid in he r t Godshestuur zoo n ,opklaart ? dat het zich gedrongen ziet om te er- kennen God beeft cdles -wel gemattit. De nieuwe stof , w.elke de , tot in de eenwig-* J heid . "uitloopencle , gesdiiedenis van het'mensche- lijke geslacht eindeloos zal opleveren tot te- schpuwing, yerg.eUjking en Lcwqndering , zal voor de gezaliaden zijn eene nimmer ppflrpe- b o > . l .geiide . Lron van veelyuldig genoegen. Einde- .loos z'ullen zij hunne kennis kunnen" vermeerxle- .ren, door het voorledene aan te knoopen aan het tegenwoordige , in hetlaatste.de nadere ontwik- keling of uitkomst van het eerste op te merken en zoo al het jiieuwe in verhand te ; Lrengcn met het oude ? enbij deszelfs beschouwing en overpein- 2ing de schatten htinner ondervinding en lumner Wijshoid tc vcrgi-oolen. Nicuw voeOscl zal djt 18. tel- (i38) telkens vcrschafTen aan hunne Godvruclit en deugd en nieuwe aansporing tot nuttige werk- zaamheid: want niets is uit zijnen aard meer ge- schikt om ons op te leiden tot eerbied voor, vertrouwcn op en liefde tot God, dan de ont- clekking van zijne wijsheid , magt en liefde in de wegen , langs welke hij ons en liet gansche menschelijke geslacht heeft geleid en verder blrjft leiden. Niets kan ons krachtiger aansporen tot deugd en nuttige werkzaamheid , dan deze gevoelcns des liar ten jegens God en Let ontdek- ken van de heerlijke belooning en de heilzame vruchten van deugd en nuttige werkzaamheid, wier gedachtenis ons de geschiedenis bewaarde en wier vergelding en vrucht ons de eeuwigheid zal doen aanschouwen. Even zeer mogen wij ons eindelijk beloven dat bet Maatscbappelijk genoegen der gezalig- den zal verboogd worden door het onderling mededeelen dier kundigheden, welke zij bier bebben opgedaan door studie en ondervinding van de gescbiedenis van hunnen tijd en vroe- gere eeuwen , dier ontdekkingen , welke zij ge- durig zullen doen aangaande den loop en het doel van het hooge Godsbestuur bij hunne voort- gezette beoefening der geschiedenis. Gewis daar, Xvaar men zal aanzitten met ABRAHAM ? IsAaK en en JAKOB , waar men vereenigd zal vinden de keur en het sieraad van het gansche menscbe- lijke geslacbt, de braafste en wijste en door ondervinding en beproeving meest geoefende mannen- van alle eeivwen , zal bet de zaligste bezigbeid verschaflen zicb met deze te onder- bouden over de wegen, langs welke God bet menscbdom heeft geleid en van ben te leeren die eerbiedig en dankbaar te bewonderen en te aanbidden. De tweede plaats onder die wetenscbappen , welke ons naast de kennis van God en Zijne dienst, ook nog aan gene zijde van bet graf, zullen kunnen bijblijven en daar mede werken ter bevordering van ons eeuwigdui end geluk, meen ik te moeten toekennen aan de Theorie van het onderwiy's en de opvoeding) en de be oefening van het schoone in de iverken der Natuur en de voortbrengselen van Kunsten en ff^etenschappen , zoo als wij dat door onze zin- nen en door onzen smaak gewaar worden, en wederkeerig 5 door deszelfs bescbouwing en be- oordeeling , onze smaak wordt gevormd en ge- zuiverd, Meer wetenscbappeli]k beef't men in de Jaat- ste helft der jongst verloopcne ec'uw , v-ooral na de poging^n met zoo veel vlijt aangewend door den '4n heroe'irideii BASEDOW (sj en ahdcrcn ter Letering der opvoeding, de kunst van opvoe- den en omlcrwijzen (pncdagogick) Legonnen tc Leliamlelen. Men lieeft liaar ioi een bijsondet va'k van studie gemaakt, aan de liooge sclio- len hnai* eene plaafs aangewczen onderdewijs- gerige Vv'elenscliappen (), eh niet weinige Le- rocmde geleercten Bebben een groofc aantal ge- scliriften, in ondersclieidene talen, over dezelve in het licht gegeven (u). En inderdaad niet vmohteloos is de menigvoldige moeite en zorg , aah deze wetenscliap besteed , geweest. In alfe landen, en vo'oral ook in ons Vaddrland (^), is de *) Men zie van hem omler anderen NnsuwESHUis JVoordenb. op het woord Basedoiv. (t} In Duitscliland ten min'ste worden schier op elke Hooge . School lessen in de Paedngogiek gegeven. (a) Zie REIUJIARD Sijst. der Christl. Moral. 5 Th. S. 4i5 folgg. 5e. Autl. waar men de voornaamste Schriften , in onderschei- dene lalen , over de kunst van opvocden en onderwijzen vmtit opgenoemd. (c) Daartoe heeft ook het Zeemvsch Genootschnp het zijue toe- gebragt door reeds in het jaar 1779 eene prijsvraag uitteschrijven betreffende de verbetering der openkire Sclioolen ; en uit de ant- Woorden op deze vraag ingekomen , drie in het jaar 1780 te bekrtfo- pen en ia Itet daarop volgendc jaar uitlegevcn , met eenige aanmer- kingen uit andere antwoorde'n ouileend en ualezingen van den Hoogl. G. J. NAHUIS. De uitgegeven veiliandelingen zijn van H. J. KRQM , K. v. r>. PAI.M en 1). 0. v. VOOU&T. Algemeen bekend js het voorts hoe veel^ nuts in ditnp/igi. gesiichl heeft <3e loffelijke tat Nut van 't de opvoeding eft hot ondei-wijs zeer lijk verbetevd, en ton g&Yolge ran dien kennis en beschaviwg thans yei verspreid under alle raugeji en- slamlea.^ de .Maatseliappij , dan in vroegere jaren. Yooij> liet vervolg verwacliten wij> op goeden grpT\(J..,nQg meerdcre en meer hejlzaEic vrucliteii van df steeds toenemende verlicliting , en wij hapqn., dat eenmaal een, door kunde en de.ugd geluk- kig, nageslacht den arbcid, door zoo veje be- roemde mannen aan de verJjetering van de JLUTIS^ van onderwijzen en opvoeden besteed, zal ze- g.enen, van denzelven de scliopnste vrucjite^i plukken en zoo het overtaigendste en veree- rendste bewijs opleveren van liet nut van hun- ne pogingen. Dan Let zijn niet alleen deze, voor liet Maat- scliappelljke leven op deze aarde zoo belang- rijke , gevoigen , welke men van de beoefenirig van de Theorie vmi onderwijs en opvoeding rcag verwacliten. Ook deze Wetenschap sdiijnt lirij 'te 'beliooren onder dezulke, op welke men zicli gedurende dit aaitfeclie leven kan toeleg- gen en tot welker ijverigo Leiiartigi?ig men zidi belidort te laten aansporen met 'lict vooruit^ zigt, dat hij , die dczelve vlijtrg Leoefende, een- maal onder de gezalfgdeii tccg wel geen voorwerp Van belangstel- ling blijven voor de gezaligden; docb gedeel* telijk ten minste de burgerlyke, en gebeel de verstandelyke en Godsdienstige (w\ en met de- zelve bet onderwijs daar toe dienende. Want het boofddoel en de hoofdzaak in dezen zijn op- leiding tot kennis , deugd en nuttige werkzaam- heid: en zou iets zoo belangrijks, en bet welk zoo naauw met bet geluk van onzen onsterfe- lijken geest verbonden is, immer kunnen op- houden een voorwerp van belangstelling voor de gezaligden te zijn? Of zal er misschien in den toekomstigen gelukstaat geene belioefte aan, of gelegenheid tot opleiding van elkanderen tot deugd, kennis en nuttige en Godverbeerlijken- de werkzaambeid zijn en blijven bestaan ? Wan- neer wij ons dien staat voorsteilen als eene Maatscbappij , bestaande uit leden van eene zeer verscbillende mate van ontwikkeling , doch alle gedreven door de zucbt tot bevordering van elkanders geluk, zullen wij bieraan we! geen (*) Vergd. REIKXARO Bij si der Christ \ Moral. . a. o. ; lii ( '43 ) geen oogcnblik kunnen twijfelen. Geene beden- king zal het Lij ons lijden, of de een zal aaii den anderen gaarne zijne schatten van meer- dere kennis mededeelen, de een den anderen zoeken te verliefFen tot den hoogeren trap van deugd, op welken hij zich geplaatst ziet. De nieuw aankomende leden, en onder deze voor- al dezulke, welke hier op deze aarde minder of geenen tijd en gelegenheid hebben gebad, om zich te oefenen en voortebereiden (#), zul- len het noodig hebben, dat andere hunne on- derwijzers en leidslieden zijn, en elk, die daar- toe in staat is, gereed vinden, om him dien dienst te bewijzen: en altijd zal naar den on- derscheiden aart en aanleg en de verschillende vorderingen der hemelbewoners , de een den an deren knnnen blijven opleiden tot kennis en Godverheerlijking , zoo dat de hoofdzaak in het geen wtj .hier opvoeding en onderwijs heeten, eeuwig voor hen zal blijven een voorwerp van de levendigste belangstelling. De strekking van derzelver aanvankelijke en voortdurende beoefening als Wetenschap , en van de kundigheden, welke wij daardoor verkrijr gen, om ons nader te brengen aan het doel, welks bereiking wij ons in een volgend leveji zien Bij voorbeeld , kinderen voor het gebruik en de ng van hunne redelijke en zedelijke vermogens stervende* 44 MDQi$e$beld als onze hestemming en ons hoqg&te geiuk, valt opk w;el met te miskennen, En schoon odlc de wij ze van hcoefcning van de k'unst i vem opvoedcn en onderwijzen en het gebruik cler liijlpmiddeleii , -van welke wij ons da&rbij bedienen, zoo zscr anders mogen gewij- zigd zijn, dan in dit leven, dat wij ons liier daar 'Van geene voorstelling -kunnen maken, ielioeft dit ons geene bfcdenking te Laren. -Zeker is 'het toch, (om mi niet meer aart te "Voeren) dat wij in deze kimst, ook'liier reeds, door de pren voorwerp Van beiangstelling hlijven, en deszelis .kermis, beschomving enbe- ooixlecJing cen hron van yeelyjaJdig genoegen. Want Let ligt in onze nutuur, dat wij smaak Iietben in en lieiUe lot het sclioone (a). De schoonheden , met welke wij ons luer heb- ben bekend gemaakt in de Jieerlljkste voort- brengselen der Dichtkunst, Welsprekenheid, Schilderkuiist enz. , of in dc gewrochten der Natuur en derzelver treflendste tooneelen, zul- len ons wel ecu wig onvergetelijk blijven. De beerlijke woonpJaats der gezaligden zal voor hen onuitputtehjke nieuwe scliaften van scboon- heid ontsluiten , en het naauw verband , in het~ welke het sehoone in Natunr en Kunst staat met het Zedelijk Schoon , zal ook hier namaals wel niet worden opgeheven , daar het in den aardder zake gegrond is. De aanvankelijke en voortdnrende weten- Schappelijke en wijsgerige beoefening van het schoo- (z^ Men zie over het sehoone en de onderscheiJene bepalingen n beschrijvingen van heUelvt RiEDEL en VAN ALPHEN , Theorie der sehoone kunsten en wetensch. i D. i en 2 hoofdst. BLAIR jLessen over de Redekunst , nit het Eng. i D. 6e les en CALKOEK , Euryalus , over het schoon^ (a) Verg* de schoone redevoering van den Hoogl. d* pitltri amort. ( 47 ) scboone lieeft ook zeker en moet altijd blijven behouden eene regelregte strekking om oris \vij- zer en beter te maken. Zij is toch een bij nit- nemenheid geschikt middel om ons op te leideu tot de bron en eerste oorzaak van al bet schoo- ne. Zij verrijkt onzen geest met een scbat van' de aangenaamsle en riuttigste kundigbeden , en werkt in ons bart smaak en -gevoei voor bet scboone der deugd. En boevvel wij bier bet scboone niet anders knnneri gewaarworden, dan door de zintuigen van ons iigcbaam, en deze dns voor ons zijn noodzakelijke bnlpmiddelen om bet scboone waar te nemen en onzen smaak voor iict/elve te vormen en te bescbaven ; bocwel de voort- brengselen van de scboone kunsten en wetcn- scbappen aan welker beschouwing en beoordee- ling wij ons bier oefenen , ons niet mogcn vol- gen in bet toekomende leven ; boe wei daar de dadelijke beoefening der scboone kunsten \vel met op dezclfde wijze, als bier, zaJ ..plants beb- ben, beboeft dit een en andcr, om roeds meer- inalen aangevoerde of gelijksoortige redenen (b\ ons niet te doen twijfelen, of wij ons bier na- maals met de beoefening van bet sciioone zidlen kunnen bezigliouden en vorderingen in die w-e- tenscbap mak(?n. Niet (6) Ycrg, het hierboven syu)ge?oevcU op bl. uS } 119, ( 48) Niet zondcr grond mogen wij ons dus belo- yen , dat wij , ook nog in de eeuwigheid > vruch- 'ten zullcn plukken van den tijd en de moeite, hier door ons besteed aan de regie kennis en waardering van het schoone , en van dd kun- digheden daarbij door ons opgedaan. De Godvruchtige Wijsgeer zal zich niet slechts met genoegen herinneren de uren, welke liij hier wijdde aan de bescliouwing van de trefFelijk- ste gewrocliten van Natuur en Kiinst, de me- nigvuldige schoonheden, welke hij in dezelve ontdekte, de kundiglieden , welke liij , door derzelver aandachtige overweging en naauwkeu- rige beoordeeling , opzamelde; maar liij zal ook in den Hemel zijnen gevormden smaak telkens nieuw voedsel en nieuwe voldoening kunnen verscliaffen uit het geen zich daar sclioons en heerlijks aan hem ter bescliouwing zal aanbie- den. Telkens zal hij zich daar door zien opge- leid tot Hem, die voor zijne vrienden zulk een heerlijk verblijf heeft toebereid en gelegenheid vinden, om van de schatten zijner opgezamel- de kennis een nuttig gebruik voor zijne mede- gezaligden te maken ., en door de vorming en volmaking van hunnen smaak zijn eigen geluk te vergrooten. De kunstenaar, welke hier, (Joor theorie en praktijk zijnen zin voor het schoo~ schoono gelukkig ontw&fcelde, ejp { , ; nie^ der dan zijnen smaa^, ook zija hart vormde yoor al wat sclioon en goed is, mag zipli niet zonder grond vleijen , dat sclioon hij ook al in den Kernel geene gelegenheid moge vinden tot dadelijke uitpefcning van zijna kunst,. even- \vel zijne hier aangeleerde kundigheden voor hem zullcn Llijven ecu hron van veclvaldig ge- noegen, wanneer hij , het geen hij hier sclioon? zag of zelf daarstelde , oneindig zal zicn over- troflen door schoonhecjen , welke hier nog p.og gezien, geen oor geho.ord heeft, o niet in het hart van eenig mensch zijn klommen. Ja niet te onregt mogen wij ons voorstellen, dat luj het meest genot z,al heb- Len van en zich het meest verlustigeu in dij9 eeuwige overeenstemming tusschen \villen en doen, deugd en geluk, het helang en de pp- gingen van alien, welke wij ons voorstellen als, het hoogste ideaal van zedelijke schooi?heid)> liet welk eens in de verhlrjven der gezaligden zal worden tot wezenlijkheid gehragt, die tier zijnen smaak voor het schoone het meest heeft gevormd en ontwikkeldv Veelligt mogen wij verder ook nog tellen onder die Wetenschappen , welke ons in, de eeuwigheid nog zullen bjjblijven en dienen tot ( i So ) vermeerdering van der gezaligden geluk de Wiskunde.) Dichikunde en Pf^elsprekenheid. De Wiskunde, namelijk, verkeert omtrent grootlieden van getal, tijd, afstand, kracht, inhoud enz. en vergelijkt die grootlieden on- derling. Zij kan beschouwd worden als eene hulpwetenscliap der Natuurkunde , en, uit dit oogpunt beschouwd, is er geen twijfei, of hare beoefening verdient te worden aanbevolen ook met betrekking tot het nut, hetwelk wij daar- van in de eeuwigheid kunnen trekken , daar wij , zonder haar, geene aanmerkelijke vorderingen in de Natuurkunde kunnen maken. Maar veel- ligt verdient zij , ook op zich zelve beschouwd , aanbevolen te worden als eene Wetenschap, \yelke ons nog na onzen dood kan bijblijven en dienen ter vermeerdering van ons geluk. Ook in de eeuwigheid toch zullen er zeker on- derscheiden grootlieden , wel niet van tijd , maar toch van afstand, getal, inhoud enz. blijven be- staan, en wel als voorwerpen van belang voor ons. Zeker zullen wij ons, om dezelve te lee- ren kennen en bepalen , wel niet bedienen , van die werktuigen, wclke ons hier daarbij zoo noodzakelijk en van zoo groot eenen dienst zijn : mogelijk is het ook , dat wij ons van dczclve de noodige kennis kunnen verschafTen , zonder fiat wij daar bij gebondcn zijn aan die verge- lij- lijkingen en berekeningen , aan welke wij hier gebonden zijn : maar even mogelijk is het toch ook, ja zelfs waarschijnlijker, dat wij na on- zen dood op dezelfde of gelijksoortige wijze, als gedurende ons tegenwoordige leven ons met de grootheden, welke voor ons van belang zullen zijn , zullen moeten bezig bouden en zullen moeten althans kunnen bekend maken door vergelijking en berekening. Mogelijk is het dus ook, ja met van waarscbijnlijkbeid ont bloot, dat de kundigbeden, welke wij ons door de beoefening der Wiskunde bier bebben eigen gemaakt, ons, niet slecbts ter bevordering on~ zer Natuurkundige kennis, maar ook in andere opzigten te stade komen in bet toekomstige le- ven; dat zij ons daar, door derzelver voortge- zette aankweeking , nuttige en aangename bezig- beid verscbaffen; dat wij er ook onze mede- gezaligden mede zullen kunnen dienen en dat zij zoo blijven medewerken tot vermeerdering van ons gcluk. Ja veelligt bewijst de Wis- kunde ons eenmaal nog ongekende en hoogst- belangrijke diensten, wanneer wij in een vol- gend leven meer kennis aan en uitgebreider overzigt van de onmetelijke ruimte der Schep- ping verkrijgen , dan waar voor wij thans , meer beperkt in ons verstand en gebonden aan plaat$ en tyd vatbaar zijn. Ill In gnlijkcn rang met de Wislumde plaalsc ik de Dichtkuncfa en de f^ahpr^nheid. Hot spreekt van zelf, dat ik mij hier niet kan inlatcn in eenig oncierzoek naar de naauw- keurigste en mcestLevattende Lesclirijving van Leide deze \Vetenseliappen (c). Geno.eg is het totmijn regefifwoordlg ooginerkhier aan te mer- ken ? dat ik beide zamen voege, orn dat zij van zulk een gelijksoortigen aart zijn,dat hetgeen van de eene, rrjet betrekkirig tot liet ondei-werp dezer vej-liandeling, kan gezcgd worden, ook Van de ander geldt. Beide' toch verkecren omtrent de taal en de wijze om zich van dezelvd te Ledienen , zoo , dat men door dezel ve vermaak t, roert, leert, overtuigt en overreedt (d). ik plaatse dezelve hier nevens de VViskunde, om dat, even gelijk van dcze, sclioon niet met zekerlieid, ecliter met waarscliijrilijkheid ook van de Dichtkunde en WelsprekenLeid kan worden gezegd, dat zij ons, ook nog in ecn volgend leven, zullen kunncn hijhlijven tot ver- meerdering van ons geluk. Immers, sclioon rhen zicli al in een volgend leven niet mogen fcedienen van eene taal, gelijk aan die, welke wij ^c) Men zie hierovcr BLAIR Lessen over de Redekunst , 4 D. fcl. '66 Volf,'g. en 3 D. Bl. 94 volgg. en HIEDEL en VAM , Theorie enz. i D. bl. 5o volgg. in erudit. univera* P. i 197. ( '53 ) ij hier schriftdijk of mondeiing gebruiken (e). zeker zullen ediler do gezaligden elkaudcreti underling hupne gedacliten en gevoelens med$ deelenj zeker zulleri zij daartoe zich moelen bedienen van eenig hulpiniddel, daar in aan on T ze tegenwoordige lalen gelijk? dat het dc ge- dachten en gevoclcns uitdrukt en in het ver-r stand en hart van anderen ovcrstovt. Hnnne taal, of welken anderen naam m- ten volgen de Geneeskunde met hare hulpwe*- tenschappen , als Scheikunde , Kruidkunde ^ Ont*- leedkunde enz. , in too verre dezelve, name*- lijk, niet als gedeelten der Natuurkunde worden beschouwd en Leoefend, niaar alleen behartigfl met een geneeskimdig doel. Daar de Geneeskunde zich tocli geheel fee*- ^ig lioudt met bet voorkomen ef genezen van ziekten en kwalen, kan dezelve, hoeveel wij ook aan haar in dit tegenwoordige leven te danken hebben, niet mcer van belatig g(>achl worden in een voJgend leven, in het welk^ men van alie ziekten en kwalen vobr eeuwi^ zal bevrijd zijn. Ook de Regtsgeleerdheid en de aahvefrwandte Wetenscliappen scliijnen mij verder niet te kuh- 4 - nen worden geteld onder dezulke, welker be- oefening wij ook daarom van belang moetett achten, om dat de door dex'elve verkregeae kundigheden ons aan gene zijde van het graT kunnen blijven dienen tot vermeerdering van ons geluk. Immers in zoo verre zij niet als en gedeelte der zedelijke en afgetrokkene Wijs- geerte worden beoefend (A), maar alleen beliar- (A) Ook het Rcgt der Natuur , bij vowbefcld > hde naauw took ( 1 58 ) met hct docl , om zicli hekend te maken met Jietgeen in den volsten en eigenlijksten zin regt -is (*) en in staat te stellen tot deszelfs bandlia- Ting en bevordering met betrekking tot bij- zondere personen en gelieele Maatscbappijcn. De handhaving en bevordering van het regt tocli zal onder de zaligen gelieel opliouden nood- zakelijk te zijn, daar in Inmne gelukkige Maat- schappij alle , door de zniverste en vurigste liefde tot God en de deugd gedreven, Imnne pligten jegens elkanderen volkomen en gewil- lig zullen betrachten. ; De Regtsgeleerdheid zal dus even min , als de Geneeskunde in den toe- komstigen gelukstaat noodig zijn , of van eenig belang kunnen wordcn geaclit. ; Uit sommige plaatsen der Heilige Schriften (^) schijnt te-LIijken, dat er onder de geza- 1 - ligden niet alleen verscliillende trappen van ge- luk, maar ook van eer-en aanzien en invloed op anderen zullen plaats lieLLen, zoo dat er onder hen ook zullen gevonden worden, wel- ken aan de Zedekunde verbondcn , kan als eene Tan haar in Tele op- zigten onderscheidene Wetenschap worden bescliouwd en behan- deld. C Pestel fundam. jurispr. nat. 298 & 3oi , (edit, tertia.) (r) Cff. Pestel , 1. 1. $ 262 et GSSNERI , Isagoge , P. II , $ 1222, ' (k) Matlh. XIX, 28. Luc. XXII, 29, 3o. 2 Tim. IV, 12. Opeab, III, ol, ken bet bestuur over anderen zal worden toe- vertrouwd. In boe ver deze, al of niet, eenig nut zou- den kunnen trekken van de beoefening der Staaik iiiidn (/) en de kundigbeden daarbij door ben aangeleerd, wage ik niet te bepalen of te gissen. Ook scboon men aanneme, trouwens, dat de bedoelde plaatsen der Heilige Scbrift in der daad leeren , dat er onder de gezaligden zullen zijn, die tot Regenten en Bestuurders over anderen zullen worden gestcld (/;/), zijn en blijven de aard van bun bestuur, de regelen, naar en de wijze, op welke bet door ben zal worden gevoerd, ons te zeer onbekend , dan dat wij op eenigen grond zouden kunnen gis- sen, veel min vaststellen, in boe ver de beoe- fening eener gezonde Staatkunde, zoo als die op deze aarde gedurende ons tegenwoordig le- ven van veelvuldigen dienst is , buri zoude kun- nen te pas komen. Wat einde.lifk de Taalkiinde betreft , ook om- trent deze W<3tenscbap durf ik nocb bepalen, nocb gissen , van welk nut bare beoefening en de kundigbeden, welke zij ons verscbaft, den (/) Cff. Pest el, 1. L ,335. _ (m*) Verg. HERINGA , Verhand. over de Koningl. waardig- heid van J. C. ouder de Verhand van het Haagsch* G*+ nootsch. voor 1797, bL 197 volgg. .^octt%Qi i gezaligden al of' niet zouden kunnen zijn en Llijven tot vermeerdering van him geluk, daar bet mij toescbijnt, dat er niets met eenige ze- kerheid kan worden bepaald aangaande de wij_ ze, op welke zij aan elkanderen bunne ge- clachten, verkregene kennis en gevoelens zullen mede deelen. En , sclioon men ook ? met den poogleeraar HEB.ING-A (n) van gevoelen mogt zijn j cc dat men zonder tot de beuzelarijen der a vroegere Scboolgeleerden te vervallen, kan a meenen, dat de bewoners van den Hemel el- c( kanderen door middel van eene taal Imnne cc gedachten mede deelen , moeten wij ecliter , gelijk de zelfde Hoogleeraar er ook Lijvoegt , ^c in deze taal eene veel grootere volmaaktheid < veronderstellen , dan in die der menschen : naar die zich eenige Wc- tenschap kiezen tcr beoefening, niet uit hoo- de van hun beroep of van huiinen stand 5 maar meer tot uitspanning en vermaak, of tot ver- poozing van de gewoone bezigheden van him be- roep ; verdient bier ook nog eene plaals de aan~ beveling , om , zoo ver onze aanleg en overige verkregene kundiglieden dit toelaten, ons bij voorkeur bij zulke Wetenschappen te bepalen, welke ons ook in de ceuwiglieid van 'bijblij- vend nut kunnen zijn. Uit boofde van ons be-r roep en onzen stand in de Maatschappij zijn "wij niet zelden gebonden aan eenig Vak van studie, betwelk ons in de eeuwiglieid minder rijke en bijblijvende vrucbten belooft, en wij moeten ons dit dan buiten twijfel getrooslen uit gelioorzaamlieid aari God , die ons in onzen werkkring geplaatst beeft , en door Zijne Voor- zienigbeid ons onzen stand beeft aangewezen. Doch meerdere vrijheid bebben wij met opzigt tot onze Wetenscbappelijke oefeningen , met welke wij meer ons vermaak en onze verpoo- zing van andere bezigheden bedoelen. In de keuze van dezelve mogen wij dus niet alleen ons rigten naar bet meerdere nut, bet welke wij ons van dezelve op den duur mogen belo- r en tot vermeerdcring van ons geluk in de ecu- * wig- C'74) igheid , maar wij behooren (lit zelfs te bescliou- als onzen pligt. Boven alles toch moet tms ons eeuwig belang op het hart wegen : en gelukkig wij, zoo wij niet alleen de bezighe- den van ons beroep en de oefeningen daartoe Lehoorende , maar o ok onze uitspanningen en de Wetenscliappen , welke wij ter bevordering van Ons tijdelijk genoegen beoefenen - aan lietzelve dienstbaar maken. Dan zal ons gansche le- ven op deze aarde voorbereiding voor een be- ter leven zijn , en wij zullen eenmaal de rijk- ste en schoonste vruchten plukken van onzen welbesteeden tijd. Optimarum artium scientia ne mortUQ quidem eripietur. . T W E E D E ANTWOORD OP DE f V R A A G: fs er grond om te gelooven , dot de in dit lev en beoeffende wetenschappen tot vermeer* dering van den gelukstaat der gezaligden zullen kunnen divnen? Zoo ja ; welke zifn dan die wetenschappen 5 waarop de mensch , naast de kennis van God en zijne dienst , zich in dit leven behoort toeleleggen ? om van derzelver aanvankelz/ke kennis ook aan gene zijde des graft de zaligste gevolgen te kunnen hopen? D o o n W. P A P E, Predikant bij de Nederd. Herv. Gemeente te Heusden^ onder dc Zinsprcuk: Felicem qul ista jam novit. Aan welken de Zilveren Eerprijs, door hct 1EEUJVSCH GENOOTSCH^P DER 7VET EN SC HAPPEN} 21 Met 1828 is toegewczen. H ct is eene opmcrking, welker \raarheid> door eene dagelijksche ervaring bevestigd wordt* dat dingen, waar van wij weinigweten, ofwier kennis voor ons met eene ondoordringbare dmster- iris bedekt is , onze aandacht doorgaans het sterk- ste tot zich trekken , en de raeest gelief koosde onderwerpen onzer bespiegeling uitrnaken. (a), Zonder de onderscheidene redenen te willen aanvoeren , welke hier van zouden kunnen wor-* 1. den (a) a Het clalstere van het gene na dit leven plaats zal grypen t a oefent zoo veel invloed op ons uit , dat het dodr de onrekere ver- wrachting der toekomeode dingen , onze zicl aanhoudend tussohen * hoop, en Vrees doet slingeren." Zie D. WIJTTEJJBAC H , in hefc ^ntwoord op de Vraag : over de gevoelens der oude ren, wegens den ataat der zielen na dit let en , in het 4e 4cr ?crh, van TntxR Godgel. Genootschap ; fg. a. den opgegeren, komt het mij voor, dat men met wel doet, dezelve alleen tc wiilen zoeken, in eene bloote nieuwsgierigheid j Bonder daar bij te denkcn, hoe deze begccrte naar hct raadselachtige , en het onverklaarbare , veeleer oorspronkelijk is, uit de gesteldheid onzer zicl, welke steeds naar het groote , en het oneindige streeft, innerlijk bewust, dat het ccten deele cckennen" geenszins het doel is, waar voor zij geschapen werd, maar dat het doidelijker in- zien eens binnen het bereik van hare vcrino- gens liggen zaL Doch zelfs de nieuwsgraagte als zoodanig, naar het gehcimzinnige is niet altijd te vcroor- deelen (&) indien men slechts redenen kan op- geven , die dezelve billijken en wettigen , immcrs \vanneer men begerig is naar de kennis van zaken, waarmede ons tegenwoordig , of toekomstig lot, in een naauw verband staat , en die op helzelve eenen merkbaren invloed kunnen en zullen uit- oefenen, wie zal dan ooit dergelijke begeerte wraken, wie niet veeleer dezelve voor geoor- loofd houden, en goedkeuren? En wat is er nu, waarop wij naauvvere be- trek- (6) Zie F. V. R E T N H x R D , System, der Christl, moral , Inter Band (drill* auflage , Reuiliugeu 1801) s, 2Oo ( 3 ) trekking hebben kunnen, dan op de wijze van ons bestaan , denken , willen en handelen $ lit cen volgeiid lev en ? hoe toch > wanneer wij op aarde voornernens zijnde ons met der woon. van de eene plaats naar de andere te begeven, de gcwoonte hcbbcn van berigten intewinnen aangaande de gesteldheicl van het nieuwe verblijf > aangaande de menschcn, met wie wij zullen omgaan en vcrkeeren, als anderzins; waaront zouden wij dan ook niet naar de aanvankelijke kennis trachten van het oord, werwaarts wij bij onzen dood zullen worden overgebragt, een oord, op het welk onze betrekking des te naau- wer is , nadien wij er ons altijd in zullen moe- ten ophouden en bedrijvig zijn? Aangenaarn , ja belangrijk en gewigtig moest derhalve voor velen, de vraag zijn, door het achtingwaardige Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Middelburg, uitgeschreven: ook in het cc toekomend leven tot vermeerdering van den Kgelukstaat der gezaligden zullen lunnen dienen ? Zoo ja ; welke dan die PFetenschap- &pen waren, waarop de mensch> naast de kennis van God) en zi/ne dienst 9 zich in dit ( 4 ) leven behoorde toeteleggen , om van derzelver aanvankelijke kennis ook aan gene zz/de des fLgrafs de zaligste gevolgen te kunnen hopen?" terwijl de schrijver dezes uitgelokt werd, om zijne krachten te beproeven , en de ledige uren , welke hem van zijne gewone bezigheden over- schieten te besteden , ten einde zijne gedachten ter beantwoording dezer vraag, ter neder te jtellen. IJXLEIDING. B eperkt, binncn enge grenzen beperkt, zijn de vermogens onzer menschelijke rede , zij moge zich tot de erkentenis van zinnelijke voorwerpen uitstrekken, en alzoo nit eene zinnelijke onder- vinding (empirisch) sommige besluiten als waar- heden kunnen afleiden; maar, wannecr zij met haar bespiegelend vermogen zich wil wagen, tot het bovenzinnelijke , dan vervalt zij spoedig tot tegenstrijdigheden , en verwart zich weldra in de zonderlingste , enwandrochtelijkste begrip- pen Overal derhalve , waar het bovenzinne- lijke geldt, houdt de rede noodzakelijk op werkzaam te zijn , en wordt vervangen door het kindcrlijk en eerbiedig geloof aan zoodanige waarheden en bekendmakingen oratrent het bovenzinnelijke , als de Hoogste Wijsheid^ goed- ( 6 ) gevonden heeft , den mensch , in zijnen tegen- woordigen stand , mede te dcelen. Edoch, dit zelfde geloof is daarom niet altijd ouvoorwaardelijk , daar de rede meermalen gronden voor het zelve kan aanvoeren , en ons doen zien, hoe betamclijk en pligtmatig het zij , hetzelve vast te houden , en niet te laten varen (c). Doch bestaan er nu werkelijk zulke waarhe- den, en bekendmakingen met opzigt tot het bovenzinnelijke ; en zijn zij van dien aart, dat suj eenige heldcre lichtstralen werpen in het gene voor de bloote rede duister, onbevattelijk en onverklaarbaar is ? Als Christen schroomt de aehrijver geenszins deze vragen toestem- mend te beantwoorden , want den Bijbel houdt hij voor het onschatbaar boek der openbarin- gen Gods, waar door alles, wat wij met meer- dere of mindere zekerheid van de onsterficlijk- heid en het toekomend leven weten, is aan het licht gebragt; terwijl voor hem deze Heilige oorkondc dubbel in waardc rijst , wanneer hij zict ? hoe zij ons niet alleen sommige gcheimcn der (c) Belangiijkc en wetenswaardige opmerlin^en aangaande de Jictrekkinff waarin dc Rede tot de Opcubating staat, viudl Bijdragsn tot de hcoefening en gesckiedenis der i^etejischappsn , 1820, le Smk , pag. 63, 64. ( 7 ) d?r toekomstige wereld, openbaarl- rnaar hoe zrj daarenbovea onze rede in staat stclt , om met eenige gronden van waarschijnelijkheid tot andere belangrijke waarheden te besluiten. Ook met betrekking tot de voorgestelde vraag gclooft hij uit dien hoofde dat de Bijbel hem racer dan cenen gewigtigen dienst zal bcwijzen , wanneer hij zich nu en dan door deszelfs wenken, en uitspraken zal voorgelicht zien op een ove- rigens weinig betreden , moeijelijk en duister pad. De vraag zelve met eenige opmerkzaamheid overwogen zijnde, leidt van zelfs tot hct onder- zoek van twee hoofdbijzonderheden : de eerste : of er grond zij om te geloven, dat de in dit leven beoefende Wetenschappen , ook in het tot vermeerdering van den gelukstaat der zaligen zullen kunnen dienen? llaauwelijks hebben wij deze woorden gele- zen, of wij gevoelen, dat zij eene zekere alge- meen erkende waarheid, voor onbetwistbaar aannemen; namelijk: de voorduring van des menschen edelst deel , na de slooping van zijn ligchaam, of de onsterfelijkheid zijner ziel. Inde- daad 5 raadselachtig worden ons de voortreffe- lijke vermogens van den menschelijken geest; onverklaarbaar , de, onze natuur ingeschapene , zucht tot een voortdurend bestaan ; wat meer is, hersenschimmig zelfs het geloof aan een volraaakt, wijs, goed en liefdcrijk Opperwe- zen, wanneer wij het nict voor uitgemaakt ze- ker houden, dat hoe zeer het ligchaam ook in 5tof en asch verkeere, de edele gcest evenwel mm- ( 9 ) nimmer der vergankelijkheid ondervvorpen zal zijn , dat 5 ofschoon , eenmaal de duistei nis des grafs ons omringe, nogtans aan deszelfs overzij- de het hcerlijkst licht ons zal tegenslralcn ! bui- ten alien Iwijtcl stelt ook de Heilige Schrift, deze waarheid, welke door de verstandigste , en verlichtste der Heidensche Wijsgeeren, was aangenomen , (d) en, daar zij ten grondslag verstrekt van het gehecle beloop onzer volgende redcncering, zij het geoorloofd, uit dit Godde- lijk bock, des aangaande,' het een en ander in het midden te brengen. Reeds in het Oude Testament, is de uitdruk- king , van , (( tot zijne vaderen vergaderd te war- den", op onderscheidene plaatsen aantetreffen, en zoude deze zegswijze , in eenen gezonden zin , iets anders kunnen beteekenen ? dan in een an- der leven vereenigd te worden met zijne reeds vroeger gestorvene geslachtcn? God, noemt zich den God Abrahams 3 Isaacs en Jacobs 9 en zoude Hij > de Eeuwiglevende een God d^r doo- den zijn? als van cene reize, van eenen togt , van een korstondig verblijf in een land der vreem- (d) Wen leze over dit onderwerp , de VerTiandcliugen ia het aaugehaalde Vierde Deel van TEIJLERS GeiiQolschap t vreemdelingschap sprcken de vrome Aardsva- deren van hun tegcnwoordig leven; maar zij ', die alzoo spreJcen , betoonen zy niet klaarlyk , dat zy een beter FaCurland zoeken , hetwelk aanstaande is? treffend is ook hier het reeds zoo vroeg geboekt verhaal der opneming van den Godvruchtigcn HENOCH , en , worden wij door hetzelve niet regtstreekts , op het denk- beeld gebragt, dat ofschoon de mensch ook van de aarde wordt weggenomen , hij daarora niet ophoudt te leven?en wie, eenigzins bekend met den inhoud der schriften van DAVID en SA- I>OMO , zoude de talrijke toespelingen zich niet herinneren vyelke men in dezelve overal op een leven na dit leven aantreft ? verrukt voelde zich DAVIDS vriend, AZAF, door deze gedachte, zijne uitzigtcn werden ruimer , hij vergat bij de- zelve, het leed, en het verdriet der aarde, Want sprak hij , Gij zult mij leiden naar uwen raad , en daarna opnemen , in heerli/kheid : Gi? zyt de rotssteen myns harten ? tot in eeu wigheid! en hoe kon SALOMO verklaren, dat de regtvaardige tot in zijnen dood verlrouw- de : dat de geesk des menschen tot God weder- teert , die hem gegeven heeft, indien hij zich niet overtuigd had gehouden van een voortda- rend rend bestaan der ziele , ten spijt der verwoes- tingen dcs grafs. Duidelijker evenwel dan iemand der oude ge- loovigen , leerdcn Jezus en zijne Apostelen deze hooge waarheid : en hoe vele uitdrukkingen be- staan er, waarin de Heiland ons van de onster- felijkheid verzekert ! Freest met, ( zcide hij , ) voor de gene die het ligchaam dooden, en de ziel niet Isunnendooden.'* Ditisde wildes ge nen , die my gezonden heejt , dot een iegeli/k , die den, Zoon aanschouwt , en in hem gelooft, het eeuwige leven heejt > en ik zal hem opwek- ken ten uitersten dage. Ik ben de opstanding en het leven. ~ Ik leveengij zultleven. Die in mij gelooft zal leven 9 al ware hi/ ook gestor ven : op dat ik niet gewage , van de verhevene , en plegtstatige beschrijvingen , welke hij ons van de opstanding der gestorvenen, en hunne on- herroepelijke lotbepalingcn mededeelt. In den zclfden toon, spraken de Apostelen: overal pre- dikfcen zij stellig de leer der onsterfelijkheid , en bragten dezelve, evengelijk hun Meester, in het onafscheidelijksl: verband met een volgend oor- deel; wy moeten, (dus drukt zich PAULUS uit,) alien gcopenbaard warden voor den Regterstoel van Christ us, op dat een iegeli/k w eg d rage , naar ( la ) naar het geen in het ligchaam geschiedt, het zij goed , het zij kwaad. Wy weten^ dat als het aardsche huis dezes tabernakels zal warden afgebroken , wij een huis zullen hebben , niet met handen gemadkt , maar eeuwig in de He~ melen, Het is, (zegt JOHANNES ,) nog niet geopenbaard wat wij zi/n zullen ^ maar wif wet en ) dot als Hij zal geopenbaard zy'n^ wy hem geli/Jc zullen zi/n , want wi/ zullen hem zien, geli/'k hij is. D'eze , en dergelijke verfcla- ringcn geven ons de Leerlingen van Jezus , en wijzen ons gcdurig op hem, als op den over- sten leidsrnan des geloofs , als Op den vorst des levins, die door zijne opstanding getoond heeft y dat hij de overwinnaar is des doods , dat hij de sieulelen des grajs bezit, hetwelk Hij ook eens, getromv aan zijn woord , ontsliriten r /al. (e) Dan genoeg, voor het onderwerp, dat wij behandclen vvillen : het bijgebragte doet ons ten voile zien, hoe duidelijk onze Heilige Bock en, des (*) DC plaasen uithct O.Testamppt waarophier gedoeld wordt , zijn Gen. XXV, 8, 17. XXXV, 29. XLIX, 29. Exod. Ill , 6, vcrgel met Luc. XX, 38. Gen. XXIII, 4, XLVH , 9, V er S el. met Hehr. XI, i3, i4. Gen, V, 2 4. Ps. LXXMI, 2 4, a6. Spreuk. XIV, 62 Fred. XI J , 7. Uii het N. Testament , Matth. X, 28. Joh. VI, 4o, XI, 25, XIV, 19, Matth. XXV, 4i-46. i Corinil.. XV , 12 en %eiv. 2 Corinth. V, i , 10. i Joh, 111, a, Opeiib. J, 18. Jeh, V, 35, 29. Hand. Ill, iS. des menschen voortduring in den dood bepalen, en daarmede aiidere waarheden onzes geloofs in verband brengen. Edoch, ofschoon het waar moge zijn , dat wij blijven voortleven, al zijn wij ook zigtbaar op deze zinnelijke aarde niet meer aanwezig, is het daarom toch nict gewaagd , zulk eene betrek- king tusschen ons tegenwoordig en volgend bestaan vast te stellen, welke ons doet gelooven , dat Wetenschappen , in het tegenwoordig leven beoefend , iets zouden kunnen bijdragen tot ver- meerderingvanonzengelukstaatjinhetaanstaande? Voor en aleer wij hier op eenig stellig antwoord gevcn, zal het ran belang zijn, in eene nadere beschouwing te treden, van het gene den hoofdinhoud dezer vraag uitmaakt, en alzoo te onderzoeken, voor eerst: of er waarlijk be- trekking tusschen dit en het aanstaande leven plaats grijpe? daarna: of die betrekking van dien aart zij, dat wij door dezelve in het vol- gende , de herinnering aan het tegenwoordige niet verliezen ? voorts : of alzoo de Wetenschap- pen , die wij thans beoefenen , dan niet geheel en al voor ons verloren zullen zijn? en zoo neen; of dan eindelijk: die Wetenschappen eenige LI,-- ( '4 ) bijdragen zoudcn kunnen leveren, tot vermeerdfc ring van hct geluk der onsterfelijkcn ? Hct komt mij voor, dat ten aanzien van het cerste punt ? of er waarli/k , betrekMng plaats grijpe , tusschen dit en het aanstaande leven ? de overwcging der volmaakbaarheid, van de verstandelijke verniogens onzer ziel, alleen ge~ noegzaam is, om ons het nodige licht te ver- schaffen. Een pronkstuk van zijnen Schepper, is de rnensch! niet slechts, wat de vorming van zijn schoon, en op de verwonderaiswaardigste \vijze bewerktuigd ligchaam aanbelangt , maar vooral ook, ten aanzien van zijnen redekjken Geest: de redelijke Geest, die in ons woont, denkt en werkzaamis, welk een verbazend za- menstel van onderscheidene bekende en onbeken- de , half ontwaakte of nog geheel sluimerende krachten, en vermogens! Wij verliezen ons in gedachten, zoodra wij denzelven met een wijs- gerig oog beschouwen , en zijne vatbaarheden , in haren omvang willen afmeten ! welk eene gave is het geheugen, waar door wij de indruk- kea ken van duizend , en duizend verschillende za- ken, in ondersclieidcne talen weten te bewa- ren , en telkens wanneer het ons gelieft , onder bewoordingen, ons wederom kunnen te bin- nen brengen ! onze oordeelskracht ! ons denkver- mogen ! onze vatbaarheid van voorstellingen ! wie peilt en doorgrondt dezelve! alle deze, en meer andere vermogens liggen in de ziel van elken mensch, en wachten slechts op ont- wikkeling en beschaving; alle deze krachtea plantte God den geest in , met oogmerk , dat dezelve aangekweekt en veredeld zouden wor- den: maar! als wij op den gang dezer ont- wikkeling letten; als wij vragen, hoe ver dc mensch het brenge, in de beschaving zijner ver- mogens? dan moeten wij erkennen, dat, we!- ken ouderdom hij ook bereikcn moge, welk een gepast, en doelmatig gebruik hij ook van zijnea tijd gemaakt hebbe, hij op verre na het doel niet bereikt heeft, waartoe hem de vatbaarhe- den zijner ziel geschonken zijn; hij op verre na niet zeggen kan, met dezelve eenigen trap van volkomenheid in kennis en wetenschap beste- gen te hebben. Hoe vele menschen sterven daarenboven in de vroegste kindsheid, of voor JMJ tot jaren van rijpheid zijn gekomen, ea inis- missen alzoo de gelegenheid , om de hun ge~ schonkene vermogens te veredelen, en te be- schaven ! hoedanig nu zal hieromtrend ons oor- decl zijn? zullen wij zeggen, dat God, met wel- ke voortreffelijke gaven Hij den mensch ook hebbe uitgcrust ; hoe hij hem door dezelve bo- ven de geheele zigtbare schepping verheven heb- be ; nogtans niets anders daarmede beoogd heeft, dan dat de sterveling daarvan een hoogst onvolkomen gebruik ' zoude makcn, gedarende weinige jaren levens op aarde, en dat dit on- volkomen gebruik zouden blijven voortduren, ia het volgende leven ? maar ! alzoo zoude de Alwijze , ondoelinatig handelen , en nutteloos de edelste gaven verkwisten ! alzoo zoude de mensch alleen het hoofd van het geschapendom , eene misgeboorte wczen , in vergelijking van alle andere schepselen, die wij overal het doel zicn berciken, waartoe zij aanwezig zijn ! welk eene dwaze redenering ! en tot dezelve mocten wij nogtans vervallen , indien wij geloovcn wil- len, dat de aarde alleen de ontwikkelingplaats is van den menschelijken geest, dat hij, in het volgend leven, op die zelfde hoogte blijft, welke hij hier beklommen heeft ! Ncen ! stellen wij dus licver vast, dat de aanleg onzer ziel, in ver- band ( 17') band gcbragt met de wijsheid des Allerhoog-: sten, het ons voor zeker doet aannemen, dat in het volgende leven volmaking van het tegen- woordige onvolmaakte plaats zal grijpen , terwijl uit dit denkbeeld natuurlijk de gedachte eener naauwe bet retting tusschen het tegenwoordige en het aanstaande leven geboren wordt. Uit dit voorgestelde , laat zich reeds eeniger- mate vermoeden, hoe wij omtrend het tweede punt, 2. Of deze betrekking van dien aart zy , dat wij in het volgende leven , de herinnering aan het tegenwoordige niet verliezen , behoeven te denken. Tot het wezcn der onsterfelijkheid behoort, buiten tegenspraak, ook het bewust zijn onzer Identiteit ; want nemen wij dit bewustzijn wcg, dan nemen wij ook in zekeren zin, de onsterfelijkheid weg ; het toekomstige leven zal dan geene voortzetting van het tegenwoordige , maar werkelijk een nieuw aangcvangen leven zijn: en wij zelvcn, zullcn niet dezelfde maar andere menschen moeten heeten. In dit ons 2. bijblijvcnd , en van ons idcntiek bestaan onaf- schcidclijk bewust zijn , vindcn wij dcrhalvc de ecnyoudige reden voor de noodzakclijkheid dcr herinnering aan ons tcgcnwoordig aanzijn , in het volgende. Maar zal deze herinnering zich mi blootelijk bepalen tot het eenvoudige bewust zijn , afgc- scheidcn van alle vroegere voorstellingen , of zal dczelve zich ook uitstrekken tot vorige vermo- gens en bekwaamhcden ? Er is voorwaar niemand , die eenigzints nadenkt hoe naauw de vat- baarheden onzer ziel verbonden zija met het bewust zijn zelve, ja, hoe de overtuiging onzer Identitei*, de herinnering aan onze vroegere knndigheden , en , vatbaarheden noodzakelijk inaakt , die dit niet zal beweeren ! Indien het op gronden van redelijk betoog rust, wat wij hebben aangevoerd, met opzigt tot de verdere volmaking onzer verstandelijke vennogens in het volgende aanzijn, dan moeten Wij immers ook het herdenken kunnen blijven bewaren aan die vorderingen , welke wij aan- vankelijk gemaakt hebben? dan moeten wij im- mers weten, waar wij geeindigd zijn, om te weten, waar^ wij zullen aanvangen? behalvc : dat het aanstaande even zeer altijd in het tcgen- ( '9 ) tegenwoordige ligt opgcsloten, als het tegcn- woorclige in het onafschcidclijkst vcrband tot hct voorledcne staat. Het is zoo , er zijn er ge- weest (/) die gewild hebben, dat de ziel bij den dood in cenen zekeren slaap verviel, en alle bewust zijn van denken, gevoelen en liandelen verloor; maar dit gevoelen is lijnregt strijdig tegen de kennis die wij van onze ziel hcbbcn, als van een altijd werkzaam wezen, en is te cenemale van alien grond ontbloot (). Trouwens , wanneer onze ziel ophoudt te wer- ken, dan houdt zij ook op te bestaan; werke- loosheid, voert hare vernietiging mede, en dc slaap der ziel is dus eene ongerijmdheid. Hoe veel helderder, waren dan niet te. dezen aanzien de begrippen der ouden , en hoe duidelijk , en ver- (/) Namelijk de Psychopannuchiten, z. over Iran gevoeleu, H. MUNTINGHE, Compend. TheoL Theor. (Ed. me&) pag. 6y5. VenemaHist. Ecol. t. 4,pag. 620 sqq: REINHARD, Vor- und Solzbach 1801) s. 65g (g) Het bewijs toch , dat men voor deze stelling zonde wil- len ontleenen uit den dicpcu slaap , uit eene langdurige onmagt . enz. doet niets ter zatej want de waarheid van alle deze toestandeu der ziel schijnt eenvoudig deze te zijn, dat wy ons niet herinne- ren, hoe en op welk eene wy'ze onze geest gedurende dezelve \verkzaam geweest is. Zoo droomen wij ook altijd , maar wij verge- ten dikwerf onze droomen , en bewaren het aandcnken met der teeldeu, die ons gedarende den slaap voor dec geest hebben gezweefdt ( 20 ) verstaanbaar schetsen ons dcrzelver redene- ringen liunnc overtuiging, aangaande de blij- vendc hcrinnering van het tegenwoordige leven, in het aanstaande? (h) Daarcnboven: indien wij ons zelven afvragen, welk denkbeeld wij vormen, van het doclcinde des volgenden levens, dan zullen wij wel een- stemmig verklaren, dat het, onder andcren het tijdstip der belooning of der straffe zal wezen , voor al het gene de mensch op aarde verrigtte, het zij goed , het zij kwaad. In de daad zoo oud als de dienst van God zelf is deze gedachte, en wie, die gccn vreemdeling is in de schriften der Ouden, wcet met, hoe zij dezelve menigwerf, onder welke zinnelijke bekleedsels dan ook, hebbcn voor- gedragen? () ook het Evangelic behelst op meer (A) Treffend zijn hier de woorden , welke CICERO aan CATO MA- JOR, in zynen Lceluis s. de Senect , in den mom! legt , Cap. 22. equldem efferor revocari ^n O prseclarom veniendum : vooral leze men hoe SOCRATES over dit onderwerp dacht iu zijue bekende ufpologie , by Cic, Tusc. Qu&stt. Lib. i. Cap. 4i , eenstemraig met hem sprak , SENECA in tyonsolat. ad Mar dam , Cap. 25. (i) Zie VIRG. A EN. Lib. 6 vs. 43i-453. 638 sqq en C. G. HEIJKE ad h, 1. in Excursa II. HOMERI Orlyss* passim. In wel- Ven zin FLATO lich van dergelyke dichterlijke voorstellingen be- diea- ( 21 ) m^er don ecne plaats deze heerlijke, maar oot ontzettendc waarheid, terwijl het genoegzaam zal zijn, ons hicr te binncn te brengen, wat wij boven aangaande de zekerheid des toekom- stigen oordeels, in verband met de onsterfelijk- held der ziel , uit de leer van Jezus en zijne Apostelen hebben aangevoerd. En wat volgt nu uit dit aanwezen eener cenmalige billijke vergelding of straf? immers noodzakelijk het bewust zijn aan het gene men gedurende den tijd zijner aardsche inwoning ge- dacht, gesproken en gedaan heeft ; eene straf, wordt toch dan eerst billijk ; eene vergelding erlarigfcdan eerst waarde, wannneer wij weten en beoordeelen kunnen , waarom wij gestraft wor- den, en weswegens ons eene belooning wordt uitgereikt: met andere woorden, het denkbeeld van belooning en straf sluit ook het denkbeeld in, diende, tocnt WIJTTENB AC H aan, ad Phad. pag 5i8, over de gevoelens der Egyptenaren kan men bet ecu en ander vinden bij D E P A u w , Recherches philosophiqu.es sur les Egyptians et Chinois , torn. 2 pag. 226 : duidelijker eveuwel zich hieromirend te verklaren, dan eene zekere Pythagorische Wijsgeere THE A NO deed, kan men moeijelijk verlangenj waailijk , zeide zi; , het levea zoude eene vrolijke parly (tv^ix,} voor de slecbteii zyu , die slervcn, na zicli aau alleilei kwaad te hebben overgegevea , indiea de ziel met onsteiielijk ware. Zie WUTXENB. Diss. Teyl. laud s. 4 pag. a5. in van herinncring in het volgende levcn aan onzc tegenwoordige handelingen, het eenige dat wij tot dus verre betogen wilden : Gemakkelijk schijnt thans de beslissing te vallen, van het derde vraagpunt hetwelk hicr op neder komt : $ 3. Of derhalve de WetenscJiappen , die wij thans beoefenen, als dan niet geheel en al voor ons verloren zullen zynl" Behoedzaamheid in bepalingen, is evenwel hier het eerste en het noodzakelijkste vereischte. Hoe ligt is men toch doorgaans geneigd, zich het hemelsche al te zinnelijk voortestellen , en hoe gaarne helt men over om aardsch te den- ken en te redeneren over eenen stand, welke zoo veel van het aardsche verschillen zal ! onbe- paald ten minste te willen beweren, dat allc huidige wetenschappen zullen overblijven, dat geene enkelde zal verloren gaan, ware te veel gewaagd, en zal niemand ligtelijk toestemmen. Hoe toch! indien eens vele kunsten en wcten- tenschappen slechts tot de tegenwoordige huishouding behoorden , en alleen tot dit levai betrckking hadden ? en , is dit niet van sommi- ge mogelijk ;^van eenige waarschijnlijk ; van vcle zeker? eene uitzondering kan en mag men uit dien hoofde alleen aan zulke weten-r schappen toestaan, welke betrekking hebben tot de hoogere vermogens van onze.n geest, waarvan men met waarschijnlijke redenen mag beweren , dat zij ook in het volgende leven nut- tig zullen kunnen zijn; gelijk wij voorgenoraen hebben , in het tweede deel onzer verhandeling , dit in eenige bijzonderheden aantetoonen. Ik erken wel , dat het niet wijsgeerig is , van het mogelijke, tot het wezentlijke (a posse 9 ad esse} te besluiten, en het eene valsche rede- neerkunde zoude verraden, wanneer men zeide: sommige wetenschappen van het huidige leven , kunnen misschien , in dc eeuwigheid ? tot heil vcrstrekken, derhalvc gaanzij , zeJser"mtl verlo- ren; maar het is toch ook evenmin te ontken- ncn, dat, wanneer de waarschijnelijkheid pleit voor het bestaan van iets, dat geen wiskunstig betoog toelaat, (en hoe zelclen is dit het geval!) deze waarscliijnlijkheid ook zoo lang tot over- tuiging behoort te bewegcn, tot dat geldiger redenen onze toestemming afvergen aan eene tegcnovergestelde , of andere meening , en zoo aarsclen wij dan ook niet te zeggen , - niet alle cc we- ' wetenschappen , welke dc mensch op aarde beoefent , zullen gchccl nutteloos voor hem , in de toekomst zijn" want waarschijnlijkhcid , welke aan zekerheid grenst, hebben wij hier aan onze zijde. Eenen staat van voorbereiding voor de Eeu- wigheid noemt men $it levensgewricht, en met zonder reden ; trouwens , onze bestemming brengt het mede, ons te vormen voor de volgende wereld, zoo ten aanzien onzer zedelijke, als onzer verstandelijke vermogens; ()&)maar, indicn nu iemand wilde zeggen, dat die ontelbare denkbeelden van verstandelijke bescliaving , welke wij opzaraelen (en uit loutere denkbeelden is elke bespiegelende wetenschap zaamgesteld) bij den dood ganschelijk zullen vernictigd worden ; dat wij er noch voor ons zelven, noch voor anderen , ia de Eeuwigheid de minste vruchten van plukken zullen, dat wij alien , bij ons ster- ven, in eenen toestand van kinderlijke onnozel- heid, door de vaderlijke wijsheid Gods zullen gedompeld worden; dat eeuwige vergetelheid , een gordijn zal schuiven , voor alle aardschc veredeling des geestes j wat wordt er dan van dan (k) Belialve zijnc verlcregeue kennis , nccmt de mensch uit dezc nigl* mcde, zcidc PLAIO, JDw. Tcyl t cii. p. 46y t ( 2.5 ) hct doel, tot welks bereiking ons, onze redelij- ke vermogens geschonken zijn? wat wordt cr dan van de wijsheid des Alwijzen, die zijn schepsel, nutteloos cen bcpaald tijdsverloop liet doorleven ? wat wordt cr dan van onze voorbereiding ? Onzin , verwarring , onbe- grijpelijkheid ! Ruiraer en grootscher warcn hier uwe uit- zigten, eerbiedwaardige en getrouwe Prc- diker des Kruises, en met dankbaarheid aan God, die dezelve voor ons te boek liet stellen, merken wij ze op , tot onze leering en onder- wijzing! opgcruimder en vrolijker waren uwe gedachten van de toekomst , Edele Paulus ! en zij bemoedigen, verkwikkcn en versterken ons telkenmale, datwij zeons voorstellcn. Vol- making van het onvolmaakte, vernietiging van bet gene, ten deeleis, zaagt gij bij uwen, en onzen Hcer te gcmoet, en vast stond uwe blijdc verwachting , dat hoe zeer wij hier nog als door een donkerglas, de dingen duisterlijk beschouw- den , wij nogtans eens zien zouden van aange- zigt tot aangezigt ! Dan , er is nog meer dat ons in dit gevoelcn bevcstigt. Wij hebben boven gezien, dat de hcrinneriag aan onze woorden en dadcii nood- zakclijk vereischt wordt, indien wij hct denk- beeld van ecn regtvaardig oordecl willcn vast- houden : maar indien dit zoo is ,gelijk hetgcrcdclijk zal worden toegcstemd, indien wij onze aardsche zedehjke verrigtingen niet zullen vergeten ; kun- nen wij dan niet met het zelfde regt beweren, dat wij ook het aandenken zullen blijven bewa- ren, aan zoodanige kundighcden, en weten- schappen, als aan gene zijde dcs grafs nog nuttig zijn ? en geschikt zullen bevonden worden, om aldaar in de hoogste school van vcrstands- ontwikkeling verder veredeld en beschaafd te worden? Indien onze toestand in de Eeuwig- heid geevenredigd zal zijn, aan onze zedetijke gesteldheid op aarde, waarom dan ook niet aan onze verstandehjke? de hoogste waar- schijnelijkheid pleit voor deze meening, en het onaannemelijke van het tegenovergestelde gevoe- len, doet ons onwillekeurig tot het besluit komen, dat niet alle wetenschappen door den dood zullen worden vernietigd, maar dat som- mige kundigheden, tenspijt des grafs , den on- vervreemdbaren eigendom der ziele zullen blijven. 4- Maar gesteld, er lag niets tegenstrijdigs in fle voorgedragene stelling^ gesteld het ware niet niet van alien grond ontbloot, te denken, dat, als wij op aarde onzen geest met nullige kun~ digheden verrijken, zulks nict vruchteloos ge- schiedt, nadien wij niet slechts voor den tijd, maar ook voor de Eeuwigheid werkzaam zijn ; zoo blijft evenwel nog altijd de vraag over : of die wetenschappen , welke wij zouden mogea vooronderstellen 3 dat ons begeleiden in het an- dere leven, eenigzins zouden knnnen dienen tot vermeerdering van onzen gelukstaat , en of zij ook dan zouden kunnen gerckend worden, ons eenig voordeel of genoegen tezullenaanbrengen? Dat wij ons bij de beantwoording dezer vraag, kortelijk bepalen: De hoofdzaak, waarop wij onzer erachtens hier bijzonder letten moeten, is deze: waarin het geluk der zaligen bestaan zal , en hoedanig wij ons hetzelve moeten voorstellen? Veiliger wegwijzer op deze bane kunnen wij bij geene mogelijkheid kiezcn, dan den Bijbel, en wanneer wij deszelfs onbedriegelijke uitspra- ken raadplegen, dan zien wij: dat het geluk der toekomst bestaan zal niet alleen , in de ont- heffing van alle rampen en zorgen des tegen- Woordigen levens \ in dc vernictiging van zon- ( 28 ) den en heersdiende gebreken; in dc vcrheer- lijking van God en in het genot van den nicer Lijzonderen omgang met (Jhristus en zalige Geesten : maar ook in den steeds toenernenden wasdom van zedelijke en verstandelijke volma- king: men behoeft ten aanzien van dit laatste punt slechts de uitdrukkelijke verklaring van Paulus, boven aangehaald 5 te raadplegen, cm le Lesluiten , hoe deze Apostel geene bedenking droeg om vasttestellen , dat vordering in ken- nis een gedeelte van het geluk dcr zaligen zou- de uitmaken , (/) en de aart der zaak , dunkt ons, leidt ons ook op deze redenering, wes- halve het niet bevreemdend is, dergelijke mee- ningen ook bij de Heidensche Wijsgeeren aan- tetreffen (m). Trouwens, wanncer wij ontheven van alle zonden, (die, helaas! haren verdervenden invloed zoo zigtbaar in de ver- duistering van ons verstand openbaren,) ons zullen bevindcn onder den onmiddelijken invloed der opperste Wijsheid, en in Gods nabijheid verkeeren ? zouden dan gecne stralen van Hem op- (Z) Alleen door zijne rede geleid , daclit PLATO er zoo over , ia Phcedone Edit. Fecinl , p. 586, et in jfpolog. Socr. p. 269, cit. ab Anonymo in Diss, Teijl. laud. p. 46g. / (m) PLATO in Phcedone , Ed. Ficiui , p. 386. op cms afschittcrcn? zoude onze, voor steeds tocnemencle volmaking vatbare, geest dan niet dubbel in de gelegenheid zijn , ter ontwikkeling en veredeling zijner krachten en vermogens? zouden wij dan door het besef der voortdurende bevredigirig dezer behoeften van onze ziel, en . door het uitzigt van al langer zoo meer , de vol- maaktheid te naderen, ons niet onuitsprekelijk gelukkig gevoelen? Maar nu de vraag zelve ! zullen wij in dien stand des toekomenden geluks , eenige vrucht kunnen inoogsten van Wetenschappen in het vroegere leven, door ons aangekwepkt en be- oeferid? Vergis ik mij niet, dan dringt ons de hoogste waarschijnlijkheid om te antwoorden ; Ja ! ten minste van zulke Wetenschappen, welke wij met eenige gronden van zekerheid a kunnen vermoeden , dat ook ginds bronnen cc van waarachtig genoegen en van ware geest- beschaving, voor den verhoogden mensch ccwczen zullen." Trouwens zal de mensch, als mensch, dezelfde blijven; zullen zijne neigingen, gelijk PLATO, met grond beweerde, hem vergezellen in een ander leven , en kunnen wij , om meer dan eene reden, volstrektelijk niet vermoeden , dat dc dood , welke veranderingen, de- 3o dezelve ook tc weeg brenge, zijne tegenwoor- digc ncigingen met andere zal doen verwisse- Icn , hoe zeer. zij ook gereinigd en gelouterd mo- gen worden; waarom zouden wij ons dan be- droevcn, door het norsche en stuursche denk- becld , dat die kundigheden , waarin wij wezen- lijk voedzel voor verstand en hart mogen vin- dcn , of wclke ons ongcraengde en zuivere genoegens kondcn verschaffen, ons zullen ont- noraen worden door Hem, die ons de neiging en bekwaaniheid tot dezelve heeft ingcschapcn , en wiens wil ? omdat Hij de Liefde is, geene andere kan zijn, dan deze: dat wij cens in zijne nabijheid , bij de hogere vorming van verstand en hart zalig zullen zijn ? waarom zouden wij dan ons aanwezen verbitteren door de gedachte : tc het graf wordt eenmaal de verslindende kolk van al het goede, groote en schoone, waar- mede gij u zelven verrijkt hebt, daar verzinkt aar het oord van ons tockomstig verblijf zal wezen , hoe zeer wij het voor ons allerwaarschijneUjk'st achten, dat de verheerlijkte aarde eens te dien einde door den ( 4 ) jgoeden en wijzen Schepper zal wordeu aange- wezen (r); ofschoon onze ziel ontheven van hct logge ligchaam , en met edeler hulsel den heer- lijken ligchame van Christus gelijkvormig be- kleed, ook tevens het vermogen zal bezitten, om zich naar de verstafgelegene gedeelten der schepping te begeven, en aldaar den grooten Maker , in de werken zijner onbegrijpelijke al~ magt, wijsheid en heerlijkheid gadeteslaan en te bewonderen (*). Maar hoe nu ! zal de mensch in zijn toekomstig verblijf geheel en al op zich jzielf staan, en niet met anderen in verbintenis treden ? zal hij aldaar nimmer aan schepselen s&ijner soort zich kunnen aansluiten , maar , aan rich zelven overgelaten, eene hem onbekende bane eenzaam moeten bewandelen? Voorzeker niet ! tot gezelligheid plantte hem zijn Formeer- der de onweerstaanbare neiging in; tot gezel- ligheid schiep Hij hem, opdat hij hier in mid- delen tot zijn geluk en zijne volmaking vinden zou- (r ) Zie dit brecdvocrig aangcr ooad door G* n z HAAS, Vet* Aandeling over de her&telde If'ereld, p. a53, vertv. {*) Zie R IBB EC K, Leerredenen over het wederzien in de euwigheid ; p. ai. Ik hetinner mij in LAVATERS autsichten t 4it zelfde gevoelen gelezen te heJbben , hoczetr ik my de j>laatf | thans niet te binnen kan brengen. ( 4' ) zoude (*) en in het geesten-rijk , kan, en zal het niet anders zijn! ook daar zullen de onsterfelijken zich onderling verbinden, en naar de mate der overeenstemming hunner neigingen den band der hemelsche vereeniging naauwer toesnoeren; ook daar zullen zij zich verbroe- deren tot onderling geluk en volmaking , en zich verblijden in den wederkeerigen wasdom, in kennis en hciligheid. Onmiskenbaar zijn voor deze gezelligheid der toekomst , de bewijzen te vinden in onzc Heili- ge Boekcn, en bijha overal wordt in dezelve het genot des hoogsten geluks voorgesteld, onder het becld van eenen gemeenschappelijken omgang. Ja de Apostel PAUL us vond in deze verwachting zelfs ecnen grond van troost, waarmede hij de geloovigen te Thessalonica bemoedigde , loot ons, dus schreef hij , niet bedroefd zi/n over onze dea- den , als of wij geene hope hadden (van hen wedertezien)>a7zvoegde hij er bij, eensbrengt God ons door Jezus alien bifeen , eers zullcn wij altijd bij den Heer zi/n : wat meer is , bij de roerend grootsche verheerlijking des Verlos- $ers treflen wij Mozes en Elias , hoezeer eeuwen na (0 2ie RzijfUARD, Chf. Moral , t, i. p. (40 na elkanderen van deze aarde weggenomen , bijeen in het vertrouwelijkst gcsprek met Jexus (//), daar zij vervoigens zanicn naar den Hem el wederkeercn, gelijk zij zamea nit denzelven waren nedcrgedaald. 2. Hct is naauwelijks noodig, onze gcdachten nog breedvoerig openteleggcn aangaande de vraag: of de gezaligden. ook werkzaam zullcn zijn? want nit het reeds aangevoerde zija dezelve ligtelijk optemaken. Indedaad, om met te spreken hoezeer weikeloosheid strijdig is met den aanleg van onzen onophoudelijk werkenden geest; hoe onbestaanbaar het met elkander >2ioude wezen, redelijke en verstandelijke ver- mogens aan den mensch in een yolgcnd leven toetekennen, en tevens te willen, dat hij er geen gebruik van maakte ; zoo behocven wij slechts te letten op den aart van het ware gelujc , dat wij zeker niramer Epicurisch zullan voor- stellen (v), als Bestorid het in werkeloosheid en (u) Zie Matth. VIII, 11. i Job. Ill, 2. i Thes5.IV,i4, i5. Marc. IX , 2 -verv. () Met medelijden waarlijk lezen wij de gedachte , welk aich EPICURUS van het geluk dtr Goden maakte, Zie Cic. Lib. i ie nat. Deorum Cap. 19, do; benevens de aaumeikiriucn en bed*n- kingen Lier tegeu Cap. 4i, door eencn Stoicyn (BALBUS) gopparg 1805. ( 53 ) Het is zoo, dc naam der stelzels van begeerte is legio! het eene werd op de bouwvallen van het andere gesticht, en mis-* schien is juist hierin wel ccne der hoofdoorza- kcn te zoeken van deszelfs kort daarop volgenda nederstorting ; dan, het is ook geenzins aan eenig bijzonder wijsgeerig stelzel, dat vvij duur-i zaamheid willen toekenncn : veel meer stemmen wij gaarne toe , dat zoo vele menschelijke be- spiegelingcn , als ijclel en mitteloos eens vol- komen verdwijnen zullen; maar de wijsgeertc* in het algemeen, is hettoch buitcn tegenspraak weike de vermogens onzer ziele spant, den geest tot onderzoek opwekt, en denzelve tot naden- ken , onderling vergelijken , waarderen en be- oordcelen in staat stelt ; en zoude dit alles niet de gewigtigste voordeelen opleveren, dat wij cvenwel naar gelang onzer, hier ontwikkelde en beschaafde vermogens, niet alleen eenen des te hoogeren trap in de toekomst zullen bestijgen, maar ook deze ineerdere ontwikkeling en bescha- ving derwaards zullen mcdenemen? Neen ! valle eens vrij alles weg , wat een helderder in- zien ons als niet proefhoudende zal doen be- schouwen; de vrucht der wijsbegeerte blijft nogtans over, want zij vormde ons voor dat le- ( 54 ) yen, tot welks grondtrekken kermis, waarheid en de hoogste verstandsbeschaving behooren ; want zij verstrekte ons tot eene aanvankelijke voorbereiding , ora over de waarheid te leeren nadenken , welke gewis het edele doel der na~ sporingen van elken zaligen onsterfelijken wezcn zal. Doch al hebben wij boven toegestemd, dat vele begrippen en meeningen, welke thans in tiene hooge waarde bij ons staan aangeschreven tc niet zullen gaan : daarom vloeit hieruit nog geenszins voort , dat dit lot alle zal treffen: im- mers is het zeer wel mogelijk , dat wij bij vele ijdele veronderstellingen , ook sommige waarhe- p.u, TrvwfitotTtzov bij PAULUS i Cor. XV, 44, beteekent niets anders volgens liet verband } dan ecu heerlijk, duurzaana , on verderfelijk ligchaam : men zie de voortreffelijke Verhandeling van J. F. N. M o R tr s , in Diss. Theoll. et PhilolL ad locum 1 Cor, XV, 35-55. Edit, altera T, i p. Jy3, s(j(j, ( 76 ) gevonden wordt, uit hoof'dc van zekerc onvol- maaktheid in de bewerktuiging des gehoors, eens evcnwel zal dat gevoel en die zin dc eigcndom van alien wezen , en niernand zal er gevonden worden, die niet met blijdschap zijne toonen zal vereenigen met het gemeenschap- pelijk lied van rcine gcestcn en gercinigde men- schen ! En wclke is derhalvc de gevolgtrekking die wij hier uit afleiden? zonder twijfel deze: dat ook dc toonkunst tot de klasse der wetenschap- pen behoort, van welker gedeeltelijke kennis wij ook aan gene zijde des grafs ons de hcil- rijkste gevolgen mogen voorspellen , en die wij alzoo nict zonder niit voor de vcrmecrdering onzer toekomende genoegens aanvankelijk zul- len aankweken. Hier gelooft de schrijver dat het plan is afge- loopen 5 hetwelk hij tot hei opstellen dezer Ver- handeling ontworpen had: in hoe verre nu de daar in vcrvatte beantwoording der uitgeschrevene vraag aan de gevorderde vereischten voldoet , laat hij aan het verlicht oordecl des Genootschapsover: menig genocglijk oogenblik verschafte hem de out- C 77 ) onlwikkeling zijner gedachtcn aangaande een ondcrwcrp , dat te alien tijde voor hem bekoor- lijk was en waaromtrent het dwalen zelfs aan- genaam inisschien verschoonlijk is: hij zoude derhalve zijne pen nederleggen , en ein- digen kunnen : dan , nog lets ten slotte. Indien de schrijver welligt hier of daar eene stelling heeft geopperd, eene meening heeft voorgedragen , welke minder op hooge waar- schijnlijkheid dan op zijne eigene wijze van zien en gevoelen rust, zoo geschiedde zulks gewisselijk buiten zijn weten en tegen zijne be- geerte ; daar hij zich verleer door eene herhaal- de lezing en overdenking van het geschrevene heeft pogen te overtuigen , van zich tot geene gevoelens te hebben laten verleiden, die, hoe uitlokkend ook, hem rain bewijsbaar zijn voor- gekomen. Dikwerf dacht hij bij zich zelven, waarom weten wij dan toch zoo weinig van de gesteld- heid des toekomenden levens ? waarom is de mensch , op de grcnzen van twee werelden ge- plaatst , zoo onkundig van die der geesten , wel- ke hem nogtans eens tot zijn altoosdurend ver- blijf "fcal worden aangewezen? maar! wanneer hij wedcrom overdacht, hoe het eene onraoge- lijkheid is er meer van te kennen dan geo- penbaard werd, en wij uit dit geopenbaarde redelijker wijzc kunnen aileiden : wanneer hij overwoog, hoe heilzaain die duistcrnis der toe- komst is voor onze tcvrcdcnhcid met het tegen- woordige ; voor de ve milling onzer pligten ; voor de oefening van ons geloof en voor onze vorniing tot hooger geluk ; dan eerbiedigde hij , met dankbaar gevoel de liefderijke wijsheid des Hcmelschcn Vaders, wiens plan het altijd is, zijne kinderen op zijne , dat is op de beste wijze naar het oord hunner bestemming heen te lei- den (ii\ Overigens is het genoeg, de onwan- kelbare hoop te mogen voeden ? om , zoo wij Jezus en zijne verschijning hebben lief gehad, Hera eens gelijk te wezen en eeuwig bij Hem te zijn. Heerlijk oogenblik , in welke deze hoop vervuld zal worden ! oogenblik welke de dag des doods vrolijker doet worden dan de dag der geboorte; oogenblik van waarheid, licht, leven en onsterfelijkheid! Cap. XXV. in fine. (tt) Zie G. A. TITTEL, Erlauterangen der Thcoretischen ntid Piractiscliea Philosophic, (Frankfutt am Main 1791,) pag. 5i4. VERHANDELING OVE R HET GEZAG DER MOZAISCHE WETTER IN EENE MAATSCHAPPIJ VAN CHRISTENEN, DOOR J. r E RB U R G, Hoogleeraar der Oostersche Letterkund* te Deventer. TE MIDDELBURG, s/f DE GEBROEDERS ABRAHAMS. 1833. & I A X O II AJVTWOORD OP DE V R A A G, laatstelijk voor het jaar MDCCCXXI opgegeven : Welk gezag behoort men toe te Jcennen aan de Goddelijke wetten, door , Mazes aan het IsraelitiscJie Folk gegeven, ter beslissing van het geen zedelijk goed ofkwaad, regt of onregt is in eene Maatschappij van Christenen ? DOOR DEN HEER J. VERBURG, Hoogleeraar der Oostersche Letterkunde te Devenlcr. Aan wien de Gouden Eerprijs, door het ZEEUWSCII GENOOTSCHAP DER 1VE- TENSCH APPEND don 26 Mei l824, is tOC-* gewezen. ' I INLEIDING. MJOO dra deze vraag : over het g?zag der zdische wetlen in eene Maatsthappij van Chris- tenen, ter rnijner tennis kwam , trof raij niet weinig hec gcwigt- der zelve, on in stilte deed ik liuldc aan de edele hedoeling ran het Zeeuwsch Genootsdhap te midden van de overige geslacbten der men- scben , uit te steken , als een volk aan de dienst van den eenigen waren God gewijd, en, in dien zin, met verhevenen pri^sterlij-r ken rang, onder alle volken der aarde, bet * zel- zelve bekleeden. Het waren tocli de eigene woorden der Godheid tot MOZES gesproken : Gy zult mi/ zijn een Koningri/k van Pries- teren en een heilig volk. Het geen de Egijp- tische Priesters wa ren in hun vaderland , de ingewijden in de geheimenissen van de Gods- dienst, de bewaarders van het licht der wijs- heid , dat zouden de Israeliten zijn , onder liet gansche menschdom. Zij zouden alleen begun- stigd worden met de openbaring der geheime raadslagen van den eenigen waren God, wel- ke Hij , ten nutte der wereld , had beraamd. Onder hen alleen zoude de echte kennis en vereering van dien Schepper van het heelal , dien Regter der gansche aarde , welke zich reeds aan hunne voorvaderen in den glans zijner on- zienlijke deugden en Goddelijke oppermagt , op eene buitengewone wijze, had bekeqd gemaakt, bewaard blijven. Van hen zoude de aankon- diging van den Goddeiijken wil , zijne rcgten, inzettingen en wetten uitgaan onder de overige volken der wereld. Aan ABRAHAM en zijn zaad waren de uitnemendste Goddelijke zegeningen, welke , door hen , op het ganschelijke mensche- lijke geslacht nederdalen zouden, beschoren en toegezegd. De Godheid was gereed, om een aanvang te maken met de bevestiging dezer toezegging , in zoo verre dezelve betrekking had op op de nakomelingschap ran dezen haren rriend , aan wien zij ten alien tijde, hare onkreuk- bare trouw had betoond. Het hing nu slechts van hen af, of zij in het voetspoor van hun- ne vroorne Voorvaders wilden treden , hunnen Hemelsche Leidsman en Weldoener, hun ver- trouwen schenken en zich onderwerpen aan die schikkingen , welke Hij , tot heil van het mensch- dom, onder hen maken wilde. Hij , de wet- gever zoowel als Schepper en Heer des ge- heelen menschelijken geslachts zoude zelf het bewind over hen aanvaarden, gelijk Hij over geen ander volk deed, en hen, in dien zin, als zijn bijzonder eigendom, op het welk Hij hoogen prijs stelde , behandelen ; een voorregt, het welk de heilzaamste gevolgen voor hen hehben zoude , doch hun tevens met die be- doeling gegeven werd , op dat zij , volgens de belofte aan ABRAHAM gedaan, voor alle geslachten der aarde ten zegen zouden strek- ken. Maar zij moesten zich dan ook, voor zulk een onwaardeerbaar voorregt, dankbaar betoo- nen, en de verhevene priesterlijke waardig- lieid , met welke zij , als Godsrijk , onder de overige volken der wereld , vereerd zouden worden, zoo bekleeden, als hunnen Hemel- schen schen Koning weJgevallig was (c). Zij hei- lig, wijs en liefderijk welbebagen wilde Hij ban, door MOZES, bekend maken, in eene wetgeving met Goddelijk onderwijs en vader- lijk bestuur, op de treffendste wijze, veree- nigd. Dit Hemelsch onderwijs en bestuur zich van nut te willen maken, om voorspoedig te sla- gen in de betrachting der Goddelijke wetten , dit zoude, van bunne zijde , eene toetreding zijn tot de naauwe vriendschaps-verbintenis ? welke God met hen wilde aangaan. In zulk een ge- drag te volbarden zoude zijn , bet verbond der Triendschap met hunnen Heer te bouden. Dit was de voorwaarde , onder welke bun de beil- yijkste voorregten werden beloofd. Dit was noodig ter bereiking der Goddelijke bedoelin- gen met ABRAHAMS nakomelingsdhap , ter be- Tordering van algemeen menschenheil. TWEEDE HOOFDSTUK. Nadere bevestiging en opheldering der gegevene aaruvijzing. at wrj , in dien geest , bet verbond of volks- Terdrag, bet welk de Heer der wereld met de (tf) Dit uitaluitend voorrcgt der Israelitcn wordt breed ge- , Dent, IT, 3 3 38. dfc Israeliten wilde aaugaan , in verband mo- ten brengen met de Goddelijke beiofte aan ABRAHAM gedaan betreffende den zegen, MrdU- fce , n-iet slecfits door hem , aan zijn nakroostf, tnaar ook , door zijne nakomelingschap , del- ^ivereld ten deele zonde vallen , zal \yel *n#t ligt een oordeelkundige bijbelverklaacder in twijfel trekken. Waarom anders zmide Mb^- ZES , in zijne gewijde geschiedenis der scliep- ping en opyoeding des menscheli]ken geslachts, Gods handelingen met ABRAHAM en de God- spraken, wclke die belofle bevatten, zoo op*- zettelijk bebben verliaaid , en als eene inlei*- ding tot de Israelitisclie gescbiedenis h-ebb^n gebezigd, indien bij zijnen lezers geenen wenlt beeft willen geven , om dat verband tusschcti de Godspraken en de handelwijze van dieBi zelfden God met de Israeliten nimmcr uil li^t oog te verliezen? Ook verklaart bij uitdrul:- kelijk genoeg zijn gevoelen hieromtrenl; , Dcu- tcron. 7, vs. 612. De gescbiedenis van ABRAHAMS is dus slecbts als een vervolg dcr van de Goddelijke zorg voor bet beil des schen mensclidoms aan te merken. Ook 'in DHozaische wetgeving mag deze zorg niei den over bet hoofd gezien. Defce - t ( '4) one Goddelijke wetgeving was eenig in haar soort. Zij bragt de duidelijkstc kenteekcnen van haren hemelschen oorsprong mede. De uitspraken van den hemelschen Wetgever zelven of de aankondiging van Zijnenwil, door Mo- ZES Zijnen eersten staatsdienaar en vertrou- weling, hadden wel de naaste betrekking op .de vorming en Lesturing van Let Israeli tische Godsrijk , maar zij hadden tevens eene verder uitziende , alles omvattende , voor de Godheid alleen hereikbare bedoeling. De zaden der al- gemeene menschenliefde mocsten , door zulk eene buitengewone staatsregeling , onder dat Godgewijde volk, worden gestrooid, en zul- ke voorschriften van zedelijkheicl aan het zelve gegeven, welke, wanneer zij van alle Israe- litische omkleedsels ontdaan werden , ter be- 5turing van het gedrag des ganschen mensch- doms , op de vruchtbaarste wijze , zouden kim- nen ontwikkeld en toegepast worden. Zie daar dan de verhevenste bedoelingen der Godheid! welke, bij de beoordeeling van het gezag, hetwelk de Mozai'sche wetten hebben , ter beslissing van het geen zedelijk goed of . kwaad , regt of onregt is , in eene maatschap- pij van Christenen, altijd moeten in aanmer- . king genomen worden. Welk eenc naauwe verbintenis de Heer det wereld ook aanging met de Israelitische stam- men , welkc Hij even als een eigen volk on- der zijn onmiddelijk opzigt en bestuur nam ; welke voorregten de Israeliten ook mogten er- langen , door hunne onderwerping aan deze Goddelijke schikkingen en door hunne eerbie- diging van JEHOVA'S oppergezag ; het \vas niet sleclits tot bun heil , maar tot beii des gan- schen menscluloms , dat Hij bun dezc voorreg- ten scbonk. Van bier zulk eene Majesteit- voile verscbijning van den eenigen levenden Scbepper en Opperbeer van het beelal , op den berg Sinai', en zijne plegtige Godspraak tot Israel, op dat niet sleclits dit volk maar ook alle, wien deze verbazende teekencn zijner Goddelijke tegenwoordigbeid ter ooren zouden komen , tot geloof aan Hem en eerbiedige bul- diging van zijne opperbeerscbappij ten krach- tigste zoudeu worden bewogen (d\ Zulk eene beilzame uitwerking moest tevens bet gevolg zijn van al dien weidscben toestel ter plegti- ge bevestiging van bet eens gemaakte verdrag tusscben God en het Volk. En de openlijke bandbaving van dit verdrag , de betooning van (d) Verg. ETod.VII, 5, XIV, 4, 18, maar voowl Ext>4. IX, 16, Jea. XL1I, 6, XLJX, zit MrxfiKCHB m het wngrfu ? D. IV, pg, i5, i*. 's hoog ongenoegen over deszelfs schen- ding, en de herhaalde vernieuwing van het zelve met de roerendste plegtigheden , onder de heerlijkste verschijningen der Godheid; dit alles diende ter verspreiding van den glans der Goddelijke deugden en van den diepsten eer- bied voor Israels Hemelschen Koning , over het gansche wereldrond. Oin kort te gaan, God wilde, door de afzondering van een volk tot Zijne dienst, door de wetten aan dit volk gegeven , door de buitengewone wijze van on- middelijk bestuur , welke Hij , gedurende eeni- ge eeuwen , in de regeling van deszelfs lotge- Tallen, volgen zoude, de afgoderij en het bij- geloof alom te keer gaan, de zedeloosheid , welke met de diepste verblinding wijd en zijd gepaard ging ? in haren heilloozen vaart stuiten: Hij wilde die zaden van reine Godsvrucht en de edelste deugdsbetrachting onder het mensch- dom strooijen, welke eens den uitgebreidsten X)ogst zouden opleveren , bij de komst van Zij- nen Zoon, die de Mozaische hnishouding met eerie g^heel nieuwe verwisselen zoude (e). DER- () Die groote Profeet , die een tweede MOZBS en meer dan 'dit kon heeten , was aan den Israelitischen wetgever op Sinai reeds beloofd als een opvolger , die zijn werk zou voltooijen , Deut. 1619. Verg, Joh. I, 46. Hand. HI, a2, 2 3. 11,3? ( '7 ) >. DERDE HOOFDSTUK. Beschouwing der Irijzondere bedoelingen der Mozaische wetgeving. Was de hooge bedoeling der Gotiheid, met de wetgeving op Sinai', het door hein uit Egijpte verloste Volk zich, uit alle volken der aarde, tot een eigendom af te zonderen en alzoo op eene gelieel Luitengewone wijze, aan Zijne dienst te verbinden , ten einde den eed aan de Aartsvaders gedaan , gestand te doen ; met dit hoofddoel stonden de Mozaische wetten in het naauwste verband. Aan de eene zijde ziet men hier zulk een bijzonder doel der Godheid, om het aan hem gewijde volk tot zedelijke en Godsdienstige be- schaving op te leiden, dat daardoor het Isra"- litische wetboek geheel eenig in zijne soort wordt. Israelitische volksdeugd en geluk op menschendeugd en menschen geluk te gronden 2. en , en de aanmerking van den Hoogl. VAN DER PALM , op de pi. nit Deuteronomium. Met ecu weerslag, zoo het schijnt, opdezevoor- spelling, werden dan ook de drie Apostelen , bij de verschijniug \an MOZES en ELIAS op den berg, door de Godspraak vermaand, om naar dien geliefden Zoon van God voortaan te hooren , volgens Math. XVII, 15. Marc. IX, 27. Luc. IX, 28 55. Zie ook Hebr. Ill , i 6. alwaar de \oprtreffeiykheid van dezen Gods- gezant des N, Yeibonds, feoveji die van MOJSE?, zeer YWE? word en, ter bevordering van Leiderlei soort van deugd en geluk , zuivere denkLeclden en gevoe- lens omtrent God en Godsdienst in te boezemcn, alles van het volk te weren, wat de bereiking van deze oogmerken verhinderen zoude ; zelfs de burgelijke inrigtingen aan dezelve dienst- Laar te maken , en 5 bij dit alles , zich te schik- ken naar der Israeliten denkbeelden en vatbaar- lieden ; deze bedoeling laat MOZES , in zijn gan- sche wetboek doorstralen. Dit is door den hoogleeraar MUNTING-HE in zijne Geschied. der menschheid naar den bybel (f) opzettelijk en in het breede betoogd en, mijns bedunkens, overtuigend aangewezen. Van den anderen kant, is, bij deze wetge- ving , met Goddelijke wijsheid, betzelfde in acht genomen, dat ? door alle verstandige wet- gevers altoos als een vereischte tot bet maken van goede wetten beschouwd is en, voJgens den aard der zake, bescbouwd moet wor- den. Deze wetten namelijk zijn gebeel en al ingerigt naar de omstandigheden van het volk, voor hetwelk zij bestemd waren. De gesteld- heid van het beloofde land, deszelfs ligging en de daaruit voortvloeijende betrekkingen met de naburen , der Israeliten geschiedenis , levenswij- ze, zeden en gewoonten zijn daarbij naauwkeu- rie (/) IV Dcl, Wadz, 222282. rig in aclit genomen. Nadat dit in zulk eeu lieerlijk daglicht gesteld is door den beroem- den MICHACLIS, wordt dit alom erkend en beboeft geen betoog meer. Welk eenen invloecl deze beide opmerkin- gen bebben moeten op de beantwoording van liet voorgestelde vraagstuk zal uit bet vervolg ' dezer verbandeling blijken. Op den gelegden grond ga ik over tot de bescbouwing van de verschillende soorten de- zcr wetten van MOZES. TWEEDE AFDEELI1SG. Beschouwing der verschillende soorten der Mozdische wetten (g). J. er beoordeling van bet bedoelde gezag de- zer (g] Om het betoog betreffende den waren aard en de uitgestrektheid van het gezag der wetten van MGZES ter beslissing van het geen regt en pligtmatig is in eene ChristeHjke Maatschappij wel te voe- ren , achtte ik het noodig , behalve eene aamvijzing der Goddelijke bedoeliogen met deze wetgeving, een algemeen overzigt over de Verschillende soorten dezer wetten op zich zelve beschomvd voor af te laten gaan. Ik wilde bij hetzelve , slechts wenken geven, in hoeverre deze wetten, ook voor andere maatscliapp ijen dan de oude Israelitische , voor de regts- en zedeleer bruikLaar zijn of niet. Hier kreeg ik van zelf aanleiding om het meer of min regtstreeks bruikbare in aij deze pi. op zijuer Bijbelvcrtaling* ( 2 3) de , en zulke voorschriften , die van verbindeu- de kracht zijn voor alle maatschappijen , in alle eeuwen , en aan alle oorden der wereld. Dat liier ook vele voorschriften van de laat- ste soort moesten gevonden worden, valt, bij een weinig nadenken, ligt in het oog, al let men niet op de bijzondere lioogere bedoeling der Godheid. Immers, niettegeristaande de aangewezene verscheidenheid van aard, zeden en gewoonten welke het Israelitische volk ken- merkte en het verschil van land en tijdsom- standigheden , waar door hetzelve in eenen ge- heel bijzonderen toestand werd geplaatst, had het niet slechts met aariverwante en naburige volken , ten aanzien van dit alles , meerder of mindere overeenkomst , maar ook met het ove- rige menschdom een en de zelfden oorsprong, natuur en gemeenschappelijk verblijf op de zelfde aarde ? veel overeenkomende regten en pligten , eene gelijke bestemming tot onderlinge zedelijke volmaking, Uit deze overeenkomst nu vloeide wederom de noodzakelijkheid voort , om de Israeliten vele wetten voor te schrijven, die even zeer voor andere volken, ja voor he^ gansche menschdom , tot een rigtsnoer van gedrag konden en moesten dienen. EER- EERSTE HOOFDSTUK. Algemeen geldende zeddijke voorschriften. een aanvang te maken met de laatst genoemtle soort van ivetten, welke algemeen geldende zedelijke voorscbriftcn bevalten ; de fcoogenaamde wet der tien Geboden of de grond- wet van den Israelitiscben burgerstaat bebelst zoodanige voorscliriften , welke, daar zij , naar de algerneenc betrekkingen der menschen 'tot hunne'n eenigen Schepper en Opperlieer zoowel als tot malkanderen zijn ingerigt en louterfl eiscben van r bet natuurregt Voo'rstcllen , door ftile maatschappijen beliooren geeerbicciigd te worden. Het bevel , om geene andere goden te buldi- gen nevens den Bescbermgod der Israeli ten (z*), die zich , in den luister zijner deugden , als den onveranderlijken, door de Aartsvaders ver- eerden eigenaar van bet lieelal en regter der ganscbe aarde, aan MOZES van den Hem el bad bekend gemaakt , en door bet verbaal der scbep- ping als den eenigen oorsprong der wereld was igeopenbaard , dit bevel geldt immers bet gcbee- le menscbdom? Wij alien zijn verpligt, dien ee- (0 Verg. Exod. XXIII, i3 en Levit. XIX, 4, XXVI, I, a Drat; XI, 16. ( 25 ) r eenfgen Hemelschen Vader , die ons uit eenen bloede gemaakt lieeft , bij uitsluiting zulk eene Goddelijke eer te bewijzen , als den Israeliten hier wordt voorgeschreven : zelfs de aandrang bij het bevel gevoegd , hoe Israelitisch die ook lui- den rnoge , en hoe zeer die , zoo als zij daar ligt , slechts voor de Israeliten van dien tijd van kracht was ? als die alleen gezegd konden wor- den : uit Egijptenland uit den diemthuize , door JEHOVA 9 te zr/n ititgeleid , levert evenwel tevens, voor hunne nakomelingen niet alleen, wiaar ook voor bet Christendom eenen grond op tot uitsluitende hulde aan dien Hemelschen leidsman der in Egijpte onderdrukte Israeliten. Immers 'die verlossing van dit volk had den heilzaamsten invloed , op bet geluk'van allett , die, door middel van hetzeive tot kennis en vereering van den eenigen waren God gebragt zijn. Behalve dat de Goddelijke magt en deug- den in deze geschiedenis ten toon gespreid , eenig in haar soort zijn en de eerbiedwaardige Oppermajesteit van Israels God als den Heer der wereld, bij wien geen ander te vergelijken is , staven voor bet oog des gansclum menschelij- ken geslarhts. Wie zal voorts het bevel , om geene afbeel- ding der Godheid te maken, (k) tot afgodisch (*) Dit bevel wordt nader ingescherpl en uif gfibr, Deut.IY,!^,! 8ya5-a8. ( 2 6) gebruik, minder verbindend rekenen voor alle volken, die de aarde bewoonen , in onzen tijd, dan voor de oude Israeliten ? Het uitspreken van den naam van God ter bevestiging eener onwaarheid of bet valscb zweren (/), waardoor de trouw in eene maatschappij op bet deerlijkst wordt gescbonden , blijft in alle ecu wen , onder alle geslachten en menscben , dezelfde gruwel ; en de Goddelijke waarsclmwing bier tegen ? in de wet van MOZES , moet gevolgelijk niet min- der ter harte genomen worden door onze tegen- woordige maatschappij en , dan door die, tot welke dezelve allereerst is gerigt. Hoe veel er , ten alien tijde , afbange van de geboorzaam- heid der kinderen aan bunne ouders , ofscboon de ouderlijke magt, bij alle volkeren en in alle tijden , niet dezelfde zij , valt van zelf in bet oog ; en bet Goddelijke bevel den Israeliten gegeven: eert uwen vader en uwe nioeder (m) is de uitspraak der eeuwige natuurwet , door den Hemelscben Vader , in aller barton geprent. Dit alles is zonneklaar. Ook beboeft bet gebod: geenen moord, geene ecbtbrcuk, gee- nen diefstal te begaan, (72) niet als valscb ge- tuige tegen zijnen medemensch optekomen, slechts (/) Verg/Levit. XIX, 12. (TO) Verg. fcevit, XIX, 5. (n) Verg, Levit, XIX, xi, i3, sleclits genoemd te worden , om er het algemeen verpligtende van te doen gevoelen. En, hoe- zeer de wet van niet te begeeren het geen een ander toekomt, welke op diepe menschenken- nis gegrond is , en het kwaad in de beginselen veroordeelt en stuit, in hare Letamelijkheid en heilzame strekking, zonder het uitdrukkelijke voorschrift van den Hemelschen Wetgever, niet zoo gemakkelijk zoude erkend zijn, heeft zij evenwel , eens bekend gemaakt zijnde , zulk eene klaarblijkelijke strekking ter bevordering van menschelijke deugd en geluk, dat haar verbindend gezag voor alien, die eene men- schelijke natuur bezilten, bij behoorlijk naden- ken niet kan in twijfel getrokken worden. Men houde slechts onder het oog , dat , door de begeerte in deze wet verboden, volgens het oorspronkelijke ? een vurig verlangen ter verkrijging van eens anders eigendom wordt verstaan 5 eene sterke zucht, welke door het voeden eener opkomende begeerte , wordt opgewekt, in plaats van, door God- vrucht en redegebruik , verfoeid en vermijd. Het is eenigzins bedenkelijk , of het bevel , om den zevenden dag der week met staking van gewonen arbeid tot een gedenkfeest van de schepping der wereld te maken , onder de wet- ten, welke wij hier overwegen , eene plaats die- diene of niet. Wanneer wij op de tijdsbepa- ling alleen acht geven , vinden wij wel geene reden, om liier stellig te antwoorden. Maar, wanneer wij op den geest en bedoeling van dit voorschrift letten, bevat het eenen hoogst menschkundigen grondregel van wetgeving, eene menschlievende en heilzame v erordening , die in geenen staat , al waar het wezenlijk volksgeluk op verlichte kennis en vereering van het Opperwezen gegrond zal worden, en de ijver tot nuttige werkzaamheid gedurig nieuw voedsel erlangen , mag in onbruik gera- ken. Of zouden de onophoudelijke verstrooi- jingen des levens, bij het gros der menschenj dat, van den morgen tot den avond toe, be- zig is met bemoeijingen , die de gedachten van hunnen Schepper en Opperheer dikwerf zeer verre afleiden, niet eene allernadeeligste uitwerking hebben , zoo geen op gezette tij- den wederkeerende rustdag de verstrooide ge- moederen tot bedaarde overweging van God- delijke zaken, rustig zelfouderzoek en ge- meenschappelijke Godsvereering wederom stemde? Is zulk een Godsdienstig vreugde feest, waarop het gansche huisgezin des He- melschen Vaders van moeijelijken arbeid ontsla- gen , zich met Hem in den geest verlustigt, aan zijne weldaden > zijne zorgen , ^ijne heilza- me me scbikkingen ter bevordering van menscben geluk herinnerd wordt , niet nuttig , niet noo- dig om de uitgeputte werkkracbt te berstellen en den verkwikten, bemoedigden, veredelden menscb nieuwe geestdrift en lust tot de belang- rijkste werkzaambeden in te boezemen ? (Verg. Exod. XXIII, 12) Wie gevoelt niet hoe algemeen geldend deze voorscbriften zijn? Soortgelijke vindt men ook ginds en ber door de bijzondere wetten van MOZES been verspreid. Dan eens treft men eene meer onbepaalde aanmaning tot overeenstemming met JEHOVA in heiligheid aan 5 Liviticus XIX vs. i en 2 5 eene ver mailing, die zoo blijkbaar ook voor alle tijden en menscben geldt, dat zij door den Apostel PETRUS woordelijk is overgenomen in zijnen Eersten brief , Hoofclstuk I vs. 16+ Dan wederom wordt de boofdwet der liefde op vele bijzondere gevallen zoo toegepast , dat vele gewigtige stukken der zedeleer \vorden ontwikkeld en in een belder daglicbt geplaatst. Het bevel, van geenen vreemdeling onder Israel woonacbtig te onderdrukken , maar bem even als cen land-en volks- genoot te bebande- fctt, (3o) Jen, hein lief te hcbben gelijk zicli zelven (o) , is zoo duidelijk op de onderlinge belrekking der natuur , welke tussclien alle menschen zon- der onderscheid plaats heeft, gegrond en de drangreden , waarmede hetzelve wordt aangedron- gen , doelt zoo zigtbaar op dien grondregel van menschlievenheid : doet aan uu>en natuurgenoot niet het kwaad , Jietwelk gij ongaarne van an der en li/dt, dat in alle maatscbappijen, op dien grond , voor zoodanige behandelingen van vreem- delingen niet alleen kan , maar ook moet zorg gedragen worden. Of openbare belastering of vloeking van het albesturend Opperwezen , als eene booggaande xnisdaad van schending des oppergezags , in alle Welgezegde maatscbappijen , niet zoo wel als in de Israelitische , ten strengste beboore te wor- den gestraft, en , in zoo verre , de wet van Mo- ZES Livitic. XXIV, vs. i4 en i5 van alge- meene toepassing kunne worden gemaakt , zal geen voorzigtige in twijfel trekken ; alhoe- \vel de doodstraf bij de Israeliten ? uit boofde van hunne bijzondere betrekking op JEHOVA als (o) Levit. XIX, 33, 34. Verg. Exod, XXII, 21, 22. XXIII, 9. Deut. XXIV, 17. alwaar mcde tie wees genoemd wordt. Over MOZES oogmerk ter verligting van den toestand der vreemdelingen zie verder J. D. Miciuews Mozaisch Rechty II Th, l38, pag. 339 en volg. als Imnnen Koning en beschermgod , op dcze misdaad gesteld daarom nog nict , voor maat- schappijen onder eene andere regeringsvorm en in andere omstandigheden levende, raoge noo- dig bevonden worden. Hoe duidelijk verklaart zich de wet Levitic. XIX, vs. 3i opgeteekend , tegen bijgeloovige waarzeggerij ! En hoe belangrijk is zij , uit dit oogpunt beschouwd , ook ter wering van soortge- lijk bijgeloof in onzen tijd en bij andere vol- ken ; ofschoon zij dan ook eene gelicel bijzon- dere soort , welke , in die vroege eeuwen , bij sommige volken in zwang ging , en door de Is- raeliten weleens werd nagevolgd , op het oog had, Insgelijks is het verbod van de overheden te vloeken en den J^orst des volks te verwenschen van zulk eenen aard , dat deszelfs algemeen ver- bindend gezag aanstonds in het oog loopt. De inscherping van diepen eerbied voor den grijzen ouderdom als een bewijs van ontzag voor God , Levitic + XIX \ vs. 3s , moge , wegens de bijzondere inrigting en regeringsvorm van het Israelitische Gemeenebest eene bijzondere re- den gehad hebben, voor het aangezigt der grijsheid zult gif opstaan en eeren het aan- gezigt des ouden en vreezen voor uwen God 9 is met te min een altoos geldend pligtgebod op de (32) de v^elvuldige ervaring , wijsheid en eerwaardij des ouderdoms gegrond. Zoo is ook het bevel van noch ten voor- deele noch ten nadeele des armen, onregt te doen en zich voor alle Lenadeeling des onschul digen , in het geregt , door onwaarheid of onregt 9 te hoeden, hetwelk Exodus XXI II , &8 voor- komt, vergeleken met vs. 3 en Levitic.XIX* vs. i5* onder de algemeen geldende zedelijke bevelen te rekenen. De bijzonderheid , dat den regter hier tevens verboden wordt J om van de eene of andere partij geschenken aan tenement ofschoon zij bijzonder schijnen te zien op de oostersche gewoonte van tot aanzienlijke lieden niet zonder geschenken te naderen, is echter, volgens derzelver bedoeling , tevens zoo ontwij- felbaar aangekant tegen het aannemen van ge- schenken welke den regter worden aangehoden , om zijne gunst te winnen , dat ieder eerlijk , menschkundig en voorzigtig regter de wet, ook in deze bijzonderheid , voor zich verplig- tend zal achten. Bijzonder verdient onze aandacht de verma- ning tegen het aanbrengen of verklikken, waardoor men iemand ten verderve zoekt te brengen, welke Levitic. XIX vs. 16 te vin- den is. Het welzijn der maatschappij en hei- lig (33) ftg regt legg^n aan eenen lwrger, wel som- tij.ds de verpligting op, om als getuige tegen iemand , in bet geregt , op tc treden ; dock bui- len be.geval, waarin dit volstrekte noodzakc- lijkbeid en pligt zij , als - verspieder van dp ge- lieime bedrijven , woorden en gedachtcn van 2ijnen mede burger rond te sluipen en voor aanbrenger van hunne alzoo uitgcstrooide wc- zcnlijke of schijnmisdaden te dienen , is een ka- i^kter zoo hatelijk, dat bet in alle maatscliap-. pijen <3ven groote verfoeijing verdient als in de oude Israelitische. De wet, die den dood bedreigt aan hem , die met vcorbedachten rade en kwade list eenen mensch -doodslaat, en zulk eenen moordenaar geene vrijplaats ter onkoming van de straf, zelfs niet bij bet altaar vcrgunt; maar bera,, (iie zonder opzet, bij ongeluL iaraand doodt, de hlo^dwraak doet ontgaan, (p] kan wederom g^noegzaam aLs natuurwet worden aangemerkt >; ofscboon de be-paling van esne vrijstad , wer- Waarts de laatste vlugiGn moest , was ingerigt naar de zeden der oude Israeliten , by wie een bjoedverwant des godoodcn b-et regt bad, om ( bet vergoten bloed van zijnen naastbestaanden te wreeken. . IJoe billijk voor alle landen en volken is 3. _ (34) daarentegen dc wet Levitic. XXI vs. 18 en $9 gegeven , dat, wie eenig vee doodt, Let be~ talen zal , stuk om stuk. Een dief, die bij naclit inbreckt, strafTeloos te mogen dooden; maar, zoodra de zon opge- gaan is, dit, niet zonder bloedschuld, te kun- nen doen, is eene in het oog loopende maalre- gel van voorzigtigheid , () welkc den voorbijganger , die een vogelnest vindt op eenen Loom of op de aarde, waarin de moeder eijeren of jongc vogels onder z'ich heeft, verbiedt, de moeder met de eijeren of jongen te nemen ; maar toestaat de jongen of -de eijeren zich toe te eigenen , zoo men slechts de moeder late vliegen. De heilzame strekking dezer wet, om te verhoeden, dat eenige soort van vo- gelen worden uitgeroeid en daardoor eene of andere soort van ongedierte , waarop die vo- gelen azen, zich vermenigvuldige, maakt haar algemeen nuttig; doch ook hare waarschijnlij ke bedoeling, om de hoedaniglieid van moe- der, ook onder de dieren, te doen ecrhic- digen en de zorg der moeder voor hare jon- gen niet tot haar verderf te doen strekken , is eene andere reden, waarom deze wet bijzon- der opmerkingswaardig is. Deze en andere wetten , welke billijkheid omtrent de dieren voorscluijven, voegt Mi- CHAeLis in een oogpunt te zamen, Mozaisch recht Theil3 $ i64. Hoe vcle wetten op den landbouw en de veehoederij toepasselijk , kunnen veilig, in alle landen ten alle tijde, worden overgeuomen. Be- Belioort hiertoe niet de wet, welke den genen, die brj het aanstoken van een vuur zoo onvoorzigtig is te werk gaan , dat het de door- nen vat en een hoop garven, het gezaaide of lets' anders, hetwelk op het veld staat, ver- brandt, voorschrijft, die schade, te betalen, Ex- odus XXII ^ vs. 61 Dit valt bij den eersten opslag , in het oog. Niet minder oogen- schijnlijk kan tot deze soort van wetten ge~ bragt worden de volgende: dat iemand, die eenig vee van een r ander onder zijne hoede had, indien het stierf , beschadigd of weg gedreven \verd, zonder dat iemand het zag, zich met eenen eed zuiveren kon van de verdenking als of hij zich aan eens anders eigendom ver- grepen had, en, indien het beschadigd werd of stierf, daar de eigenaar tegenwoordig was, het niet behoefde te vergoeden, vs. 10 12. Even als deze wetten op die der natuur ten duidclijkste gegrond zijn , zoo is het ook een ander voorschrift (w) volgens hetwelk men verpligt is zijns vijands os of ezel , die men van de kudde vond afgedwaald, hem terug te Brengen, of, wanneer men den Ezel van zijnen hater onder den last zag bezwijken, hem,, moest te hulp komen, den Efcel te ontladeri. &od. XXIH, 4, & Verg. Itent. X^tl, 4. (4* ) Er behoeft geen diep nadenken toe om te go voelen ? hoe men , in soorfgelijke gevallen , overal den zelfden regel door MOZES voorge- schreven volgen moet. Wat is pligtmatiger , dan dat men ^ bij 4e inzameling van den opgst, den armen geden- ke, en alzoo zljne dankbaarheid betoone aan den milden Zegenaar van hct gewas des yel(Js., wien men zelven geene wedervergelding be- wijzen kan! En is dus de wet, (x] die niet toestaat, dat het te velde staahd^ feoretl , tot aan de uiterste lioeken van den akker, afge- maaijd worde , maar eene nalezing ? zoo van. de vruchten des velds als van die dei wijn- bergen en olijfgaarden , voor den behoeftigeh wil oVergelaten hebben, ivat de hoofdbedoe 1 - ling aanbelangt , niet heilzaam en verbindend voor landeigenaars in alle staten en bij alle volken? Hoe billijk en navolgenswaardig is ook de inzetting Deuteron > XXIII ? ^. $4 eh 25 vermeld. Geenen akker met tweeeiiei zaad onder el- kander vermengd te bezaaijen , is zulk een wijze maatregel der lanclhuishoudkunde ? dat de- zelve, niet minder voor andere tftaatscliappij- en, dan voor de oude Israelitrsche , kracht '* (*j Levit. XIX, 9, 10. Verg, Deut. XXIV, 19, ai. (40 Tan wet behooren te hebben. Het is tocheene opmerking op de ondervinding gegrond , dat bet graan des te beter beantwoordt aan bet oog- merk , waartoe men bet gebruiken \vil ? naar mate bet zuiverder is en minder vermengd. Zie over deze wet, Levitic. Hoofdstuk XIX vs. /p, vergeleken met Deuteron. XXII y vs. 9, MICHACLIS Mozdisch recht. IX Theil. $ 218. en PERPONCHER Aanm. ter, eerstgenoemde plaatse. Ook beeft bet bevel van geenen os en ezel te gelijk voor de ploeg te spannen zoo- danige nuttigbeid ? dat bet overal , waar men zulk een ongelijk span voor den ploeg bezigen wilde , even gevoeglijk , als aan de oude Is- raeliten, zoude kunnen gegeven worden. De ongelijkbeid van kracbt en tred tocb doet bet zwakste dierlijden, en bet sterkste wordt, door bet zwakste, -verbinderd alle zijne kracli- ten in te spannen. Zoo wordt dan, door zulk eene zamenvoeging , de arbeid vertraagd en onbarmbartigbeid gepleegd. Men vergelijke wederom PERPONCHER bij Deuteron. XXII , vs. to. Het verbod om geene tweeerlei gewigten en scbepels van verscbillende groote te mogen hebben, is tegen zoodanig bcdrbg, bij bet ver- (43) verkoopen der veldvruchten en andere wareu ingerigt , dat Let , Lij den ecrsten oogopslag, blijkt, dat dit verbod overal geldig is (y). Zoude ook de volgende wet niet, met regt, overal kunnen fngevoerd worden als vorderende eene regtvaardige vergoeding voor aangebragte scliade ? Wanneer iemand eenen akker of wijn- gaard had afgewcid , door zljn vee in eens anders veld te drijven , om hct af te weiden ; van het beste zijns eigenen akkers en van het beste zijns wijngaards moest hi; vergoeding geven , Exod. XXII , vs'. 5. Althans : overal, waar de veehoederij zoo sterk gedreven wordt, dat zoodanige afweiding van eens anders wei- degrond ligt mogelijk zoude zijn en gedurige aanleiding tot hevige verschillen zoude knn- nen geven , kan ook zoodanige wet gaaf wor- den over genomen (z). De opgegevene proeven komen mij over- vloeclig voldoende voor, tot bewijs zoo wel als ter opheldering van mijne s telling , dat het wet- (*>') Levit. XIX, 35. Verg. Deut. XXV, i3 16. (z) Waren de Israelitcn oorspronkclijk een Herders volk aan het gedurig omzwerven met him vee , door geraeene weiden , ge- Voon, het was noodig, eenige onvoegelykheden , tot welke deze gewoonte aauleiding g^f, door wijze wetteD,Toor te komen, toen zij tot een landbouwend volk zouden gevorrad worden Dit was eker nog eene g^hcel bijzondcre reden voor deze wet, bij de oude Israeliten. ( 44 ) wetboek van MOZES eene menigte van zulke Vretten, vcrmaningen en waarschuwingen bevat, Welke wel eigenlijk den Israeli ten gegeven 'zijn; maar tevens, uit haren aard, grondenvan Verpllgting voor alle maatschappijen opleveren. Mijn oogmerk vorderde hier breeclvoerig te zijn , daar het , bij de oplossing van het vraag- Stuk, wclks beantwoording ik mij lieb voor- gesteld, op deze soort van wetten, eerst en vooral, aankomen zal. Het spreekt voor het overige van zelf , dat ik hier geene volledige opgaaf behoefde te doen , maar slechts wen- ten te geven, die tot verder nadenken over dit stuk eenen gereeden weg banen konden. TWEEDE HOOFDSTUK. Wetten naar der Israeliten bi/zondere be- hoeften geschikt. JEjene andere soort van wetten, van welke ik boven gewaagd heb , is naar de bijzondere behoefte der Israeliten geschikt. Hunne bij- zondere aard, diep ingewortelde gewoonten, oude gebruiken en zeden zijn bij dezelven in acht genomen. Zij zijn deswegens of in het geheel niet , of althans niet zoo algeraeen als dc ( 4- r > ) de vorige , bruikbaar en noodzakelijk voor dere volken. Laat mij sleclits eenige weinige prqeven deze soprt opgeven. ( In het oog loopend is bet voorbeeld, liet welk ik, ter opheldering van den aard dezer wetten , meen te mogen ontleenen van deinstalling der vrijsteden werwaarts hij , die zonder opzet eenen doodslag begaan bad, vlugten moest, om de bloedwraak te ontgaan. Num. XXXV , 9 15 en 22 28, verg. met Deut. XIX, i 10. Deze instelhng steunt gelieel op eene oude gewoonte, van de vroegste tijden af, bij de Hebreen , gelijk tlians nog bij de Arabieren ^ in zwang gaande , welke zoo spoedig niet uit-n geroeid kon worden. Volgens deze gewoonte, werd aan eenen bloedverwant van eenen veiv moorden, niet alleen het regt toegekend 5 maar ook -hem als eenen pligt voorgescbreven > om het bloed van zijnen naastbestaanden aan den moordenaar te wreken, Rusteloos was de ver-^ volging nit dit besef van pligt voortvloeijende* Nergens was de moordenaar veilig. E welk eene wanorde uit deze overoude gewoonte somtijds ontstond , wanneer de wraak , zonder vorm van regtspleging , in bevige hartstpgt, bij overhaasting zojider nadenken, werd uitge- ( 46 ) oefend, is ligt tc besefien. Onmogelijk zoude het, in vele gcvallen, geweest zijn, liet leven Van liem , die , Lij ongeluk , iemand gedood had, voor de bloedwraak tc beveiligen , indien er nict dit niiddel op gevonden Was, dat er vrijsteden werden ingesteld , werwaarts de on- gelukkige den bloedwreker haastelijk ontvlie- den kon , alwaar hij veilig was voor zijne naspo- ring en eenigen tijd buiten zijn oog blijven mocst, tot dat de drift van zijnen vervolger bekoeld was , en deze alzoo in staat geraakte om zijne onscbuld te erkennen. Bij deze wet wordt het oude regt des bloed- wrekers niet afgeschaft (a). Aan het zelve wa- ren de Israelften nog al te zeer gewoon, dan dat bet menscbkundig zoudc geweest zijn, des- zelfs afscbaflmg, op eens voor mogelijk te acb- ten. Een gevoel van eer, dat als tot eene tweede natuur geworden is , laat zich zoo ge- makkclijk niet uitroeijen. MOZES verzette zich dan wijselijk niet tegen dit oude gebniik , maar kwam , door de instclJing der vrijsteden , zoo- veel mogelijk , een scbWelijke uitwerking der bloedwraak jogons onscliiildigen voor. Docli , tiit doze handelwijze van MOZES zou zeer ver- keerdelijk een gevolg getrokken worden ter ver- (a) Verg. Nura, XXXV, 1921. en Deut. XIX, n 15. (47) verdediging der geoorloofdbeid van eene soort- gelijke blocdwraak, in andere en meer be~ schaafde maatschappijen , ahvaar zulk een eer- gevoel met liecrscht. Ilier kan men , zonder vrees voor gcdurige wanorde, de regtspleging gerust aan den opcubaren regter overlalen , die , door geene partijdigheid of liartstogt verblind, in staat is, om de zaak bedaard te onderzoe- ken, en een regtmatig vonnis van veroordee- ling of vrijspraak te vellen. Hier komen dus ook dergelijke vrijsteden niet te pas. Een ander voorbeeld kan bier, mijns be-* dunkcns , ontleend worden uit de wet der ecbt- scbeiding , Deuteron. XXI F, / 4. Uit den inhoud dezer wet blijkt, dat, volgens een oud berkomen regt, de Israelitiscbe mannen de vrijbeid meenden te bebben, om van bunne vrouwen tc scbeiden , wanneer zij bun niet meer bevielen , of zij eenig gebrek in baar ontdekten. Deze wet keurt MOZES niet goed, maar bij laat baar echter toe. Onder een volk aan de vcelwijverij gehecbt, bevig van harts- togten, wispelturig en bard van aard, kon de ecbtscbeiding binncn geene enge grenzen be- paald worden, in eenen tijd, waarin bet alge- meen gebrujk nog wijd en zijd eene ruime deur voor bet onbinden der buwelijken , om al- v ler- ( 48 ) lerlci oorzaken, openzettc. Het eenige, het, welk ton worden gcdaan, om de ligtzinnige echtschciding , met alle de wanorde daaruit ont- staande, vpor te komen of, daar zlj consplaats had , nog ergere gevolgcn te weren , was den man de verpligting op te leggen, om de scliei- ding>bij geschrift, te bevestigen en dien scheid- brief aan zijne vrouw te overliandigen ; daar- enhoven hem de lioop te henemen van zijne vrouw, wanneer zij eens aan eenen anderen man gehuwd was , ooit terug tc erlangen. Hoe wijs deze wet ware, wordt in het fcreede betoogd door MiCHAeLis in zi/n MozaiscJi Regt en door PERPONGHER op MICHAGLIS vertaliiig van deze plaats. Wie gevoelt niet, dat deze wet van MOZES , zoo geheel en al ingerigt naar den aard en de zeden der Israeliten van dien tijd, geenen den minsten grond in zich hevat, waarop men zou kunnen beweren , dat , in andere maatschap- pijen, geene meerdere Leperking aan de eclit- scheidingen zoude kunnen gegeven worden? De wetten omtrent het liuwclijk zijn , in Vle an4ere opzigten, ingerigt naar der Israe^r liten pude zeden en gewoontep, . De v^etwij- Vj^rij werd dqor MOZE$ nict verboden. Dit zoude onmenscUumdig geweest zijn, dewijl het ( 49 ) Let volt , van ouds af , aan dezelve gewaon was met alleen, maar ook de gebeele toenmalige wereld aan dc gewoonte van rneer dan eene vrouw te liebbcn , welke nog lieden in het oostcn in zwang gaat, zeer geliccht was. MOZES weerde dan dit gebruik niet , maar gaf voorschriften , door welke bet van zelf bcperkt werd en beboorlijk gewijzigd. Hij kwam de wanorde en onregtvaardigbeid , welke de veel- wijverij veelal na zicb sleep te , zoovecl moge-* lijk , door zijne billijke wetten , voor , Deut. XXI, vs. i5 tot /7. Meer te doen gedoog- de de toestand dier tijden en zeden niet.~ Het loopt van zelf in bet oog , dat uit deze liandelwijze van MOZES. geen gevolg kan ge- trokken worden tot eene algemeene yerooiio- viiig van de veel wijverij. Zelfs MOZES deed,, door zijne wijze van verhalen, waar het te pas kwam, duidelijk gevoelen, dat de veel- wijverij geene oorspronkelijke Goddelijke in^ stelling was en van den beginne af aan, niet in gebruik was geweest. Hij beeft ook door zijn voorbeeld dezelve niet aangemoedigd en ging zelfs eene groote vermenigvuldigrng van vrouwen in bet koninglijk Serail^ indien de Israeliten in vervolg van tijd zich ooit ee- nen Koning kiezen mogten , als eene zeer ver- derfelijke zaak, teg en. Zijne toelating der 4. yeeli (So) veelwijverij was dus ongelwijfeld sleclits noodzakelijke scliikking naar de zeden en ge- woonten van dien tijd. Een ander treffcnd voorbeeld van de wijs- heid , waarbij de MozaiscLe wet zich schikte naar der Israeliten overoude gewoonte en ze- den, vindt men in liet regt, hetwelk eene Weduwe, wier man gestorven was, zonder haar kinderen na te laten, gegeven werd op den breeder van haren oveiiedenen man (6), of, zoo deze -weigerde haar te nemen, op den nabestaanden , die , in eenen verderen graad van bloedverwantscliap , den broeder volgde(c). Het (J) Volgens Deut. XXV, 511. (c) Uit de Geschiedenis van RUTH blijkt , dat men , ten haren tijde althans , deze Mozaische wet , die alleen van breeders en van den zwager der weduwe spreekt , alzoo nitlegde. Dat de Hebreeu- wen , onder den naam van breeder ook verdere bloedverwanten begrepen , is bekend. Zoo wordt, omtrent den Hcbreer, die zich, nit armoede , aan ernen vreemdeling of bywoner mogt verkocht hebben , Levitic. XXV , 48. gezegd , een zijner broederen zal hem kunnen lossen , en dit nader aldus verklaard. Zijn com , of de zoon zijns corns zal hem lossen , of die hem , uit zijne maagschap) in den bloede bestaat , zal ?iem lossen En dat dezelfrle persoon , op welke de weduwe aanspraak had , ook tevens tie lossnr was.hoedanig een, niet alleen in geval van slaverny , bij-. springen moest, maaa ook, wanneer zijn broeder, of naastbestaan- de , uit armoede zijne goederen verkocht had , ook die lossen kon exf moest, volgens Lev. XXV , a5. blijkt uit dezelfde geschiedenis . Ook in de laatst aangeliaalde plaats ujt JLeviu wordt gespro- Het doel dezer instelling was , dat de we- duwe niet kinderloos zoude Llijven , en alzoo bet gesiacht van haren man niet met hem zoude uitgestorven zijn. Hct eene zoowel als Lot amlcre werd voor eeii groot ongeluk en schande gelioudeii. De oude geschiedenis bad in -Thamar doen zien , hoe onverzettelijk ecne Israeli tische vrouw dit regfc vasthield,- en tot welk eene huitensporigheid de hevige zucht naar < r ifstammelingen liaar vervoeren kon , in- dicn liaar dit regt wcrd geweigerd. Zich naar dit oude herkomstig regt ? deze diep ingewor- telde neiging der Israelitische vroiiwen ? dit haar gevoel van eer en schande, te scliikken was ongetwijfeld het wijze oogmerk des wetgevers met het-handliaven dezer gewoonte; ofschoon hij dan daarbij tevens nog andere bedoelingen nioge gehad hebben. Ves- ken van den lesser , die zi/neri tot armoede vervallen breeder het naast bettaat, Ontkrtusschen bpaalcl zich de wet,.Deut. XXV, 5 10, we! duidelijk b'j den zwager dor kindarlooze weduwe, om aantewijzen , dat, in eval van khiderlooshcid , eene uitzonde-* ring plaat's lutdopden regel , welke : eenen zwager verbood de wedu- we van zijnen ovevledenen broeder te tvonwen. Voov ])et ovcrige schijnt hare bedoeling tc zijn geweest , de overqude, gewoonte , welke zoodanige kinderlooze weduwe het regt gaf , om den masten bloedverwant , die ook in de andere opgenoemde gevallen haat losserwas, in voile kracht te laten , in zoo verre deze gewoonte niet sjrydig was met andere, wetten , die den giaad der bloedverwant* , waarin men huwen mag of njet, duideiyk aanwijsem ,. (52) Vestigen wij eindelijk nog het oog op zijne toelating cler slavernij (d) , met welke eenige zij- ner wetten ter verzachting cler nadeelen , uit de veelwijverij ontspruitcnde , in bet naauwste verband staan. Wei verre dat MOZES de sla- vernij , welke de menscbbeid zoo zeer ver- nedert, ontecrt, onderdrukt, en belemmert, zoude hebben voorgestaan en Levorderd, too- nen zijne wetten rakende de behandeling der slaven ten duidelijkste , dat het niet dan nood- dwang was nit de zeden en gewoonten dier tijden voortvloeijende , waardoor zijne toela- ting van eene slaafsche dienstbaarheid onder zijn volk werd veroorzaakt. Volgens zijne wet toch, mogt geen Hebreer tot eene altoos durende slavernij verbonden worden, ten zij hij het zelf verkoos. Hi] verbood ten streng- ste allerlei soort van mishandeling der slaven, zoo der vreemde als der Israeli tische (e). Hij zorgde wel opzettelijk voor eene behoorlijke Waardering van hen als menschen, oorspronke- lijk , zoowel als hunne vrije natuurgenooten , naar Gods beeld gevormd. Hij droeg tevens zorg voor hunne uitspanning en genoegens , door de rustdagen uitdrukkelijk mede voor hen (d) Dezc toelating blijkt uit Levit. , XXV , 4446. (e) Zie, onder meer voorbeelden , Deut. XV, i3 15, XXI > f XXJU, i5, 16, I Deze instellingen , naar de toenmalige be- boefte des Israelitisclien volks met Goddelij- ke wijsheid verwondeiiijk sclioon gescbikt, waren tevens, op die wijze als zij door MOZES verordend waren, geheel en alleen voor do Is--' faeliten bruikbaar, en wfcl niet langer 'dan hunne beboeftc znlk eene inrigting zoude 'nood- zakelijkmakcn. Vanhier dan ook , dat, toen bet mensclidom voor eene meer geesielijke vereering van den eenigen waren God gcnoeg zame rijpbeid verkregen bad, onder zeer ver- anderde tijdsomstandigbcden , de zinnebeel- dige Godsdienst met bare plegtigbcden , door JEZUS en zijne Gezanten met meer noodig werd gekeurd en , vooral na de verwoesting van de gewijde stad en tempel door de Romeinen, van zelf verviel. De wetteu betreffende het Imwelijk , de ecbt- scbei- ( 56) scheiding, Op-f geteekend. Tot deze soort kunnen ook ge- * bragt (/) Zoo kan de verwijdcring der melaatschcn, Num. V, 13, Toorgeschre ven ten voorbeelde dicnen , in aoortgelijke beametting l>ij ndcrc volken. ( 58 ) bragt tvorden die, welke de Levitisdie onrein- heid bepalen en voorschriften van reinigingen inhouden, Leviticus XJT. Andere, welke ter voorkoming van gehei- me afgoderij en het navolgen van de gewoon- le der afgodendienaren strekten , hoedanige Levitic. XFII, (g} gelezen worden, waren ook geheel nationaal. En die , welke het slag- ten van rundvee , schapen of geiten , in de woestijn, zonder het aan JEHOVA ten offer te brengen, verbood, was daarenboven slechts tijdelijk, en had bij de komst des volks in het beloofde land geene nuttigheid meer. ? Ook zou zij toen, wegens den verren afstand van het heiligdom , aan vele oorden des lands niet in acht hebben kunnen genomen worden. Zij werd dan ook 5 tegen het einde van der Israeliten omzwerving door de woestijn , afge- schaft, volgens Deuteron. XI I ^ vs. i5 en iG. MiCHAfius heeft deze wet opgehelderd in zijn Mozai'sch Regt, 3 ter Theil 169 pag i6y-t7j. vergelijk PERPONCHER aannierking bij Mi- CHAELIS vertaling van deze plaats; doch zie ook VAN DER PALMS aanteekening. De instelling van het Jubeljaar, in hetwelk elk zijne oorspronkelijke vrijheid en eigendom te- fe) ^oo ook XIX, 2628. XX, I 7. tenig bekomen kon, volgens 'Levilic. i^s. 834) vergelekciv^. 4y55 , was eenig in hare* soort: zij was gegrond op JEHOVAS opperheerschappij , wclke gecne onderdrukking duldde en zich kenhierkte door de bemin- nelijkste zachtlieid en liillijklieid jegens dat volk , hetwelk hij geheel en al als zijn Lij- zondbr eigendom wilde heLLen aangemerkt. Dit is mcermalen in het lielderstc daglicht ge- steldi Het kdmt mij dus voldoende voor, dit liier slechts aan te stippen. Mijn oogmerk toch. is alleen aan te wijzen, hoe ook dcze wet^ eeniglijk voor het Israeliiische volk, in Pa- lestina levende, gegeven werd. Bij ; dezelve wordt JEHOVA als landsheer Lesclioiiwd en ko men de Israeliten voor als deszelfs dienaren? over *welke niemand zicli ecu oppermagtig ge- zag aanmatigen mogt, en die htinne Lezittin- gen, volgens den maatstaf eener gelijlce ver- deeling, uit de hand van dien Hcmclsclien Heer 1 i . i als eigenaar, ontvangen zouden. Even zeer hij uitsluiting op dit vplk toe- passelijk was de wet, die nie.t alleen be*- val cenen verarmden landgeiiooL zoo te on- dersteunen, dat hij kon blijv.en leven, maar ook alle rentheffing voor aan Lem gesclioten geld verbood. Ter staving dier wet strekte deze drang-. ( Go ) drangreden , dat de bezitting van het Cananee^- ^che land zoude moeten aangemerkt worden als eene vrije gift van JEHOVA aan het arme, in Egijpte zoo zeer onderdrukte volk, over itetwelk liij zich erbarmd had door het uit Egijptcland uit te voeren. Deze Goddelijke erbarming over het gansche volk moest elk Isracliet, door zoodanige ontfermirig over eenen armen natuurgenoot , navolgen. Daar de Israeli- tische staat niet zoo zeer op den Koophandel als wel op den akkerbouw gegrond was, kon liet verbod van geene rente te heffen van eenen Yerarmdcn ingezetenen des lands, hetwelk elders niet zondc knnnen gelden, bier plaats vinden. Dit verbod zoowel als de drangreden was ge- heel Israelitisch 5 stond met de bijzondere inrig- ting van dien staat in liet naauwste verband (//). Ik zou liier nog kunnen gewagen van do wet omtrent eene ondersclicidene kleederdragt , Deuteron. XF, vs. 38 4o. en van die, wclke s volks (A) Lcvitic. XXV, v, 5538, vcrgeleken ExoU. l XXIF, Jfp, aS . en Dentrron. XXIII, vs. 19 en 20. '5 volks omzwerving in de wocstijn noodig 1 waren , doch uaderhand of minderc of in hot geheel gecne nnttighcid meer haddeih. Zoo gebood MOZES in hot Login wcl do vrijlating van eenen Hebreenwschen slaaf in hot zeven- de jaar, niaar niot die van cone slavin, Exodus XXI, vs. a tot 7. Doch naderhand werd do- ze \rct ook tot de slavinnen niigestrekt, Deu- Steron. XF , vs. /2 en 17. Zoo werden, volgens Numeri IF, vs. / 33, schikkingon gomaakt over h(^t gccn do Pricstcrs en Lcviten te verrigten haddcn, l)ij den optogtdcs tal)ernakels; scliikkingon , wclko zich, nit den aard der zake niet verdcr nit- strekten dan gcdurende den tijd , in wcl-kqi de Loiligo tent nog aan goene vastc plaals VerLorulen was, noch de Tempel te Jcrnzalem gebouwd. Doch waartoe behoef ik meer wet- ten, die slechts voor eenen tijd dienen kon- den of alleen voor bet Israeli tische volk ge- schikt waren, aan te wijzen ? Met deze soort van wetten staan in liet naauwste verband die, welke op de verove- ring van Canaan betrekking hadden en de verdeeling van dit en bet Over- Jordaansclie land , onder de verschillende Israeli tische slain- men, regelden, Numeri XXXII , XXXIII, vs. 5Q54. XXXir, tot XXXF, vs. 8. Hiertoe be- hooit (62) hoort ook de wet Numeri XXFII , vs. 8tc opgeteekend, Lij welke cle erfopvolging in het tezit der landerijen, wanijeer iemand sticrf en geenen zoon naliet,naauwkeurig bepaald wordt. Ook de wetten, door welke zckerc . plaatsen tot vrijsteden bcstemd worden, NumeriXXXV, vs. 6 en vs. 101 5. Deuteron. IP, ,^,9. ^ / _ 43 en die, welke eene vaste plaats voor de openbare en gemeenscliappelijkq God^vereering stellen, Deuteron Xll, vs. to /4, kornen hier in aanmerking. Om va-n geene verdere Lepalingen rakcnde den akkerfoouw, de hooge feesten of andere zaken , welke in Let Isra^li- tische land te iiuis beboorden, thans te'gewa- gen. Ik meen ook van deze soort van wet- ten voorbeelden genoeg te hebben aangevoerd. TWEE- TWEEDE DEEL. BESCHOVWING DER VERKLARING VAN JEZUS EN ZIJNE APOSTELEN, BETREFFENDE HET GEZAG, HETWELK DE GODDELUKE WETTEN DOOR MOZES AAN HET ISRAELI TISC HE VOLK GEGEVEN , IN HET CHRISTENDOM TOEKOMT; EN AANWIJZING VAN HET GEERUIK, HET WELK ZU VAK DEZE . WETTEN HEBBEN GEMAAKT. et is van het uiterste aanbelang ter be- hoorlijke bepaling van het bedoelde gezag der Mozai'sche wetten , in eene maatschappij van Christeneii, acht te geven op de verklaring van JEZUS en zijne Apostelen hier omtrent en het gebruik door hen van deze wetten ge- maakt. Immers aan den Stichter van het Christendom kwam het voile regt toe, om te Leslissen, in hoe verre de Mozai'sche wet, door zijne volgelingen , als eene regelmaat van him gedrag , moest geeerbiedigd worden. Hij had eene Goddelijke volmagt, om in het (64) dienstige en zedelijke zulke bevelen te geven, als Hij, overeenkomstig met het doel zijner zending tot heil der wereld, noodig zoude rekenen. Zijn gezag gold boven dat ran alle Godsgezanten 5 die voor Hem geweest \varen of na Hem volgen zouden, Hij was de eeni- ge meester en Heer, wiens uitsprakert als Goddelijke uitspraken in alles, geloofd, wiens bevelen als Goddelijke bevelen , in alles , moes- ten gehoorzaamd worden. Zijne zendelingen door Hem gevorind en bestuurd, door den geest der onfeilbaarheid in alle waarheid ge- leid, verdienden geen minder geloof en gelioor- zaamheid dan lain Meester, in alles , wat zij ? op zijn gezag , leerden en voorschreven. Ook hunne ophelderingen en beslissingen ra- kende het gezag en de bruikbaarlieid of OTI- Lruikbaarlieid der Mozaisclie wcttcn voor Christenen, steunen op het Goddelijk gezag van JEZUS. De Apostelen moeten dan, nevens hunnen Heer, op dit stuk gehoord worden. En het gebruik 't welk de Hecr en zijne Af- gezanten van dcze wetten, bij him Goclsdicn- stig en zedclijk onderwijs maaktcn, khn ten gids en rigtsnoer dienen voor onze denk- wijze omtrent de palen, Linnen welke de in- vloed der Mozaische wetten in eene Christe- lijke maatscliappij , behoort beperkt te worden. Dit Dlt ecu en ander mag ik veilig vooron- derstellen als eene zaak hier buitea verschil. De vraagj welke bier bean twoord moet wor- dcn, is van dicn aard, dat haar voorstellers moeten geacht worden mij gaarne toe te stem- ,meu, dat ik op deze gromlen mijn onder- zock yoornamelijk vestigen mag. Het is ,hier dus de plaats nict om te bcwijzcn , dat ,aan het Hoofcl des Cluistendoms en deszelfs eerste groiidleggers zulk cene beslissende stem ter bepajipg van bet zeclelijk gezag der wetten van MOZES -vvaarlijk toekomt. Die aan hunnc onbepaalde Goddelijke volmagt tot bet geven van zedelijke bevelen voor Jiet tnensclidom twijfelen mogt, zonden de bewijzen voor deze grondwaarbeid des Cbris- tendoms, in zulke scbriften als die van LESZ, PALEI 5 EOGUK , overvloedig en urtnemend vm- aangewezen. Ofscboon de vfaag niet zij , of de "wet Van God, door MOZES gegcven ? in baar gebeel J)escliouwd, nog ,eene verbindendc kracbt beb** t>e voor bet Cbristendom , nocb ook of de Mozaiscbe wetten eenig zedelijk gezag heb- fcen ter, aanwijzing van bet geen door eene Christelijke maatscbappij voor goed en kwaad, regt en onregt te bouden zij, maar de zeker^ van Uet laatste en de ongerijmdheid van (66) ~het eerste stilzwijgend door het Genootschap wordt aangonomen, volgens den duidelijketi zin en bedoeling der vraag , kan het echter, mijns bedunkens, nict overtollig gerekend ."worden, in de eerste plaats na te gaan, hoe- danig de uitspraak van den Zaligmaker en zijne Gcznnten over deze beide stukken ge- vveest zij. Dit onderzoek toch doet ons diep inzien in liunnen geest en de verschillende oogpunten bemerken, waaruit zij de Mozai- sche wetten bescliouwden (). Het verspreidt niet weinig liclit over hunne denkwijze aan- gaande den eigenlijken aard en' de uitgestrekt- heid van het zedelijk gezag , dat aan deze wet- (a) Tan hier dat ik , in het iste Hoofdst. der late Afd. van dit Ilde Deel , eerst en vooral den vrijen loop meende te moe- teu laten aan het ouderzoek der Leere van Jszus en zijne Apoft- telen betreffende de Mozaische wetgeving , als geen onbcpaald gezag behoadcnde ter regeling van het gedrag der Christenen. Denaanw- Jkeurige beschouwing der onderscheidene plaatsen hiertoe betrekke- lijk, voornamelyk in de brieven van FAWLU, die zoo dikwyls op dit stuk nederkomt , n hetzelve van too vele verschillende zijden belief , achtte ik noodzakelijk om diep in den geest van dit Christe- lijke onderwijs door le dringen. Deze beschouwing moest tevent red.s een helder licht verspreideu over het gezag ter beslissing van hetgen zedelijk goed en kwaad , regt en onregt is in eene Christen maatscliappij f 't welk , op eene verrassende wijze , aan de wet van MozBa wordf toegekend daar , waar in andere opzigten haar gezag word ontkend. De grootere bredvoerigheid , welke ik mij hier moest getroosten , om alles zooveel mogelijk op te helderen en in Kijn verband Yoortestelien , maaktt cUt ik mij in het Yerrolg reel ion. (6 7 ) Wetten toelcomt : het heeft dus eenen regt- streekschen invloed op de beantwoording van het opgegevene vraagstuk. In eene eerste Afdeeling zal ik dan onder- zoeken , hoedanig de uitspraak van JEZUS en zijne Apostelen over het gezag der Mozaische wet in het algemeen , ten opzigte van het Chris- tendom , geweest zij. En in een tweeds het zedelijk gebruik door hen van MOZES wetten gemaakt in eenige bijzonderheden aanwijzen. EERSTE AFDEELING. Uitspraak van JEZUS en zijne Apostelen { over het gezag der Mozaische wet, in het algemeen , in betrelcking tot het Christendom beschouwd. Iraar de Verlosser der wereld uit het Israe- litische volk afstamde en in het Joodsche land leefde, toen hetzelve wel aan de heer- schapptj der Romeinen onderworpen was,doch echter nog iiaar zijne eigene wetten, zoo niet; geheel, althans grootendeels 5 werd bestuurd, stond Hij ook onder de Joodsche Wet van God , eertijds door MOZES gegeven. Hij hield wei zijne verfievene \vaardigheid, waarmede Hij door God zijnen Vader bckleed was , voor het oog zijner landgenooten ten alien tijde op , sprak als de door MOZES voorspelde groote iPrafeet , die magt had om bet menschdom Oodsdienstige en zedelijke bevelen voor te sehiijven; eischte onbepaald geloof en gehoor- zaamheid aan zicb; maar maakte van zijn -Godclelijk gczHg, gedurende zijn verblijf op ydezp wereld , gcen gebruik ter afschaffing van de Godsdienst-plegtigheden , zeden en gewoon- ten door de Mozai'scbe wet vastgesleld. Hij hield zicli daarentegen aan de instell^ngen dier wet en nam hare zedelijke voorschriften waar, doch met den verlichtsten Godsdienst ijver, welke heerlijk afstak Lij de schijnheilige ver- tooning van vele Joodsche leeraren, die de voorfcreiTelijke wetten van MOZES door men- schelijke overlevering verbasterden en in de daad kragteloos maakten, hoe zeer zij oek veor de handhaving van het gezag diens ou- den wetgevers , op wiens stoel zij gezeten wa- ren, doldriftig ijverden. JEZUS ontleende dan ook, bij zijn Godsdienstig en zedelijk onderwljs, in zijne gesprekken met de Joden, hiet zelden zijne redenen uit het Mozai'sche , en verwees hen naaj MO&ES en de Pro- (<*>> Profeten. Hij tracbtte hun diep inzieii te ge*, ven in den zedelijken zin en bedoeling bun- ner wet. Doch Hij verklaarde zich bij ben niet regtstreeks over de nabij zijnde vernieti- ging der MozaVsclie buislioudifig, bij de op- rigting zijner gemeente. Dit zoude eene onH tijdige ontdekking geweest zijri , voar welke de verlicbtste en braafste Israeliteri nog niet- rijp waren. Het zoude' eene aanrandirig van? bet Goddelijke gezag des wetgevers en grond- leggers van den Israelitiscben staat, eene ver~- breking der wet, eene staatsmisdaad gesclioiien^ bebben te zijn. Daar door zoude Hij zich den weg tot bet bart van velen, die in Hem ge- loofden en door Godsdienstige en zedelijke ver- verlicbting en bervorming eerst langzamerband voor zulk eene bekendmaking moesten worden voorbereid , hebben toegesloten. Hij liet zieh dan ook niet bepaaldelijk uit over den aard en de uitgestrektbeid van bet gezag , hetwelk bij voortduring door zijne aanbangelingen aan MOZES wetten, ter regeling van bun gedrag, zoude moeten worden toegekend. Het was genoeg , zoo Hij ben, door leer en voorbecld, gewen- de aan zulk eene bescbouwing en 3}eoefemBg> dier wetten, welke ben bet wezen van den Godsdienst in eene louter geestelijke en zede- lijke vereering van bet Opperwczen dn dat der deugd , deugd, in opregtheid van geest naar liet God- delijk voorbeeld, deed stellen. Deze strekking had des Heilands onderwijsen gecirag. Voorts gaf Hij niet dan wenken , welke verstandigen onder zijne landgenooten tot nadenken rnoesten Lrengen over het aanstaande einde van den voorvaderlijken kerk- en burgerstaat. Onder de Samaritanen ecliter verklaarde Hij zich stelliger omtrent de verscliijning van liet tijd- stip, waar op de door MOZES aan eene vas- te plaats verbondene zinnelijke Godsdienst- oefening moest plaats maken voor de zuiver gees- telLjke aan alle oorden der wereld, en gevolge- lijk, met de afscliaffing der Mozaische kerk- plegtiglieden , eene uitnemcnde verandering in den zedelijken toestand des menschdoms ont- staan. Doch aan de Apostelen liet Hij het over om , na de gelieele ontwikkeling van zijne levensgescliiedenis na zijnen dood, opstanding en verheerlijking 3 wanneer zijn gezag als dat van den Heer, wien alle magt gegeven was in Hemel en op Aarde , voor 't oog der wereld op Let duidelrjkst en trefiendst zoude geliand- haafd zijn , opzettelijk aan te toonen , \vclk eenen invloed de Mozaische wetgeving op liet gedrag der Christenen moest blijven uit- oefenen , in hoe verrc dezelve voor hen verbm- dend bleef of niet. Laat ( 7' ) Laat mij na deze voorafgaande aanmerking nadcr in de bijzonderbeden treden. EERSTE HOOFDSTUK. folgens de leer van JEZUIS en zijne Apos* telen, kon de Mozdische wetgeving geen onhepaald gczag behouden ter regeling van het gedrag der Chrislcnen. We eenige slellige verlclaring hieromtrent welke deHeer zclfgaf, geschiedde, gelrjk w'ij reeds za- gen , niet onder de Joden maar on der de Sa~ maritaneti. Zij bevatte ecbfer slechts eenen veel Leduidenden wenlc, waa-rtoe een belang- rijk gesprek met eene inwoneresse van Sichar Hem aanleiding gaf (b\ Aan deze vrouw bad Hij zicb doen kennen als eenen Jood, die bo- ven de volks vooroordelen zijner landgenooten tegen de Samaritanen verbeven was. Wei ver- re van baar met eene Joodsche minachting te bejegenen en baren omgang te sclmwen, Lad Hij zijne rede op de vriendeJijJLste wiize tot liaar ingerigt. Door eenen dronk water van baar te begeeren toonde bij verti'ouwen te stellen in bare gastvrijbeid en van dczclve zicb te willen bedienen, daar anders,een ver- regaande baaten afkeer van onderhnge gcmeen- scliap > (*) Joh. it 11 ft. (7* schap bij deze beide naburige volken he^rsch- te (c). Zij had "hare bevreemding over deze verrassende ontmoeting aan Hem te kennen gegeven. En wanneer Hij nu uit deze bare verwondering aanleiding nam, om haar door een geheimzinnig gezegde en het geven der sterkste blijken eener onverklaarbare kennis barer gelieimen , allengs te brengen tot de er- tenis zijner Goddelijke zending ter bevordering van 's mensclien heil 9 hield zij Hem voor eenen Profeet, die een onpartijdig scheidsman zoude ktinnen zijn over het voorname gescliilpunt, 't welk de Jo den en Samaritanen tot Liertoe zoo zeer verwijderd hield. Dit geschilpunt be- trof de plaats der openbare Godsvereering (d). De Samaritanen , hielden den Gerizim voor den gewijden berg der aan bidding. Op dezen berg was ten tijde van ALEXANDER den Grooten, onder bet bewincl van Sanballat een tempel gesticht, ten gevalle van Manasse, eenen afvalligen joodsclien Priester. Deze was wegens zijn hnwelijk met de dochter des laat- sten , van bet welk hij niet had willen afzien, als' een verbreker der wet tegeu de vermenging met afgodische volken, van bet Pries (teraiubt ontzet. Hij had zich te . Samarie : netler gezet en werd door zijnen schoonvader 'inet de-Hoo- ge- () Job. IV, 7 15. (d) 1620. (73) gcpriesteflijke waardigheid bij dien nieutren tempel bekleed. MANASSE had vele aanhan- gers onder de Joden , die , in soortgelijke hu-* vrelijken ingewikkeld , hern naar Samarie volg- den ( dat te Jeruzalem de plaats is , alwaar men aan- bidden moet. Het was waar, dat ABRAHAM en JACOB omstreeks Sichem altaren ter eere van hunnen God hadden gebouwd. En daar men, in over oude tijden gewoon was, zulke altaren op hemel hooge bergen te stichten , schijnt hier nit bij de Samaritanen de Volksmaar ont- staan ( 7* ) staan te zijn ; dat de berg Gerizim, aan welks voet Sichein lag, de eigenlijke piaats was, door de Aartsvaders tot Goclsdienstige hulde gewijd. Het denkbeeld van de heilighcid diens Lergs kreeg voedsel door de, naar MOZES bevel, al- daar verrigte plegtigheid ter bekrachtigitig der Goddelijke we.t (/). Doch het was onkuude, uit Let een en ander te willen afleiden, dat op dezen berg en niet te Jeruzalem moest aan- gebeden worden. JEZUS besliste dan wel het pleit ten voordeele der Joden , zoodat Hij hen verklaarde voor het eclile nakroost der Aarts- vaders , bij het welk de zetel van den waren Godsdienst , volgens bewijsbare gronden , op Goddelijk gezag gevestigd was , en uit het welk daarenboven het voorspelde heil der wereld moest voortspruiten. Doch Hij voor- spelde tevens niet onduidelijk het nabij zijnde verval der door MOZES wet bevoleno inrigting, volgens welke JERUZALEM: de stad des He- melschen Konings was , die aldaar met zckere plegtigheden wilde verecrd zijn. Die zinnelij- ke eerdienst zoude verwisseid worden met eene louter geestelijke. en zeclelijke vereering van den Vader des mensdoms , die aan alle plaat- sen geschieden kon. cc Vrouwe'* zeide Hij , geloof mij > de ure komt, dat gij noch op dezen (/) Jo. VIII, So 35. Terg. D.mt, XXTII, XZYIIT, e 76 > dezeii berg , noch te Jeruzalem den Vader zult <( aanbidden. Gij lieden aanbidt liet geen gij niet weet; wij aanbidden het geen wij weten. De die in noodzakelijk ver- band stond met de afscbaffing van dat gedeelte der MozaYsclie wetten, betwelk de plegtige vereering van het Opperwezen aan eene vaste plaats verbond en de zinnelijke verrigtingen daarbij gebruikelijk betrof. En dit was, het geen ik aanwijzen wilde. JEZUS spreekthier, in zijne betrekking als de beloofde Vcrlosser, die dat heil 5 't welk hij beweert dat uit de Jo- den oorspronkelijk is , aanbragt. Het blijkt toch uit den geheelen afloop en de uitkomst van bet gesprek , dat Hij zich door bet zelve als den zoodanigen bij deze vrouw, en, door mid- (g] Joh. IV, 21 a4. Vg. d *inmerk. THM H. D* Gnoo kij deze plaatts. ( 77 ) tniddel van haar, bij hare stadgenooten wiide fcekend maken. Doch is dit zoo, dan moet men zijne verklaring in dat licht beschouwen n zoo opvatten , dat Hij dien nieuwen heilvol-* len staat van Godsdienst en zeden onder liet Hienschdom , welke het gevolg zoude - zijn van zijne zending , bedoelt. Met regt past men dajit ook dit zijn gezegde toe op het Christendom, van het wclk Hij de Stichter was. Bij hetzelye jgoude alle verschil over de plaats der aanbidding af Goclsvereqring wegvallen. Het mensqhdoiqa Was rijp voor de invoering van eene louter ^eestelijke vereering van God als den Hemelt- schen Vader, die vruchtbaar zoude zijn in ware deugdsbetrachting. Zulk eene hulde ajleen kon dien Hemel- Vader, die enkel geest is, welgei- yallig zijn. Tot zulk eene hulde zocht Hij zijne redelijke schepselen op te leiden. Zulk cene hulde aan het Opperwezen zoude , door 3 s Heilands invloed , van nu voortaan ood^r alle geslachten der aarde worden verspreid. r Maar daar mede was de bepaling van eenen hoofdzetel van den Godsdienst , naar het bij Samaritanen zoowel als Joden toen nog hesr- pcliend gebruik, met aldien toestel van zinnc- lijke plegtigheden daaraan verbofiden , te een jnaal onbestaanbaar. De tempddienst te J- xur ruxalem, pfschoon met lieilzame oogmerken op Goddelijk gezag eertijds gevestigd, en naar MOZES wetten ingerigt, moest dan ook eerlang ophouden. Tot onderhouding dier Mozaiscbe wetten zouden zij , die zijnen gees- telijken Godsdienst aannamen , met worden ver- pligt. Zoo veel ligt , dunkt rnij , duidelijk in JE~ zus woorden opgesloten. Wij vinden dan hier den grondslag tot die leer aangaande bet ge- zag der Mozai'sche wetgeving in Let Chris- tendom, welke door de Apostelen meer opzet- telijk is verkondigd en nader opgelielderd. Wanneer wij liet onderwijs der laatsten met dat hunnes Meesters vergelijken, valt hetons, die de uitkomst van s* Heilands voorspelling , na de vestiging der Ghristelijke gcmeetite, ge- durende zoo veel eeuwen als met oogen zien > des te gemakkelijker , zijnen veel beduidenden wenk te vatten. Wij gevoelen dat alles, wat in verband stond met de zinnelijke wijze van God te vereeren , \velke uit noodzakelijkbeid door MOZES wet bij de Israeli ten was inge- voerd en in bunne Staatsregeling als inge- weven, met die Staatsregeling zelve vervallen moest, zoude die zedelijke verbetering en ver- tdeling, voor welke JBZUS bet mensdom rijp keur- (79) keurde , wijd en zijd onder alle rolken der aarde de weligste vnicbten dragen. Doch wij gevoelen te gelijk , dat onberekenbaar veel schoons, zoo over de Goddelijke hattmr en wil, als over der menschen regten en plig- ten, hetwelk in bet wetboek van MOZES is vervat, ter bevordering dier verbetering eft Teredeling des menscbenlijken geslacbts, van de boogste waarde bleef, en een altoos du- rend gezag bebouden moest ter verlicbting en besturing van den menscbenlijken geest. Maar slaan wij bier de gewijde scbriftendes Nieuwen Verbonds verder op , en geven wij acbt op de nadere ontwikkeling en opbelde- ring van dit onderwijs des Heeren, tot welke zijne Afgezanten , na zijnen dood , opstanding en verheerlijking , door den drang der veranderde tijdsomstandigheden als van zelf werden ge*- voerd. Tegen bet gevoelen van sommige Cbristenen nit de Joden , stelden zij vast , dat zij , die uit het beidendom tot bet Christendom overgin- geri, door de besnijdenis tot de onderhouding der ganscbe wet van MOZES niet beboefden te worden verpligt. De vraag ontstaan door toedoen van eenigc Joden, die hunne Antiocheensebe mcdc-Christe- nm (80) wilden noodzaken om zi^h jte laten he- en en cle wot van MOZES in derzelver geheelen omvang tc onderhouden, werd, op voorstcl van PAUIATS en JACOBUS, door de Apostelen , de Ouderlingen en de gansche Christelijke gemeente , te Jeruzalem bij een vergaderd , aldus beslist : dat men den Chris- tenen uit de Heidenen dien last, \velke den Jodea door alle tijden lieen zoo ondragclijk was geweest, niefc moest opleggen , maar him slechts aanschrijven om zich te ontlioudeh Van lit afgoden offer en de onreine zeden , ke daarmede gewpo^lijk gepaard gingen. wilde evenwel met dit besliiit nict te ' geven, dat men aan liet wetboek van geen bet minste gezag ter onderwijr- der Christenen, en alzoo ter regeling van bun gedrag moest toescbrijven. Het gendeel deed JACOBUS gevoelen door deze aanmerking: dat MOZES voji oude of in elke Si ad zijne prediker.s ho4 in de Si/nogen , alwaar , hij op elken rustdag gelezen u>erd. Bit wordt ons doqr LucA$ verbaald in zijne Handelingen der Appstelen f Hoofdst.XV, iii en igSi. Het voorv4 jgeieurde kort na PAV^US eerste reize ter voortplanting van het Christendom. En ^^PL het 8i het besluit toendoor de Jeruzalemsche vergade- ring genomen vinden wij naderhand nog eens ge- wag gemaakt in een gesprek , met P AUDITS en zijne reisgenoten, bij de terug komst van zijne tweede reize, te Jeruzalem gevoerd door JACO- BUS en de Ouderlingen ten zijnen huize bij een ge- komen , volgens Lucas verhaal Hoofdst. XXI , 25. Het bleef bij dezebepaling der Jeruzalemsche gemeente niet. PAULUS ging verder en be- weerde , dat het eene verderfelijke dwaling was, Gods gunstjzedelijke verbetering, volma- king en zaligheid, welke alleen door het ge- loof in JEZUS te verwerven waren , door de onderhouding der oude Mozaische wet te wil- len zoeken ; eene dwaling , die , bij de eerste Christen gemeenten uit Joden en Heidenen be- staande, zoo gereedelijk insloop. In zijnen Brief aan de Romeinen betuigt deze Apostel der Joden , dat door de werken van hunne wet. dat is, door zich te gedragen naar de Mozaische wet , niemand kon vrij ge- sproken worden van zonde voor de Goddelij- ke regtbank, nademaal de zedelijke verbaste- ring, tegen welke de Goddelijke wet van Mo- zfis was ingerigt, het gansche menschdom, den Jood zoowel als den Heiden, had besmet. Jlij bewees, dat de Mozaische wet, waaron- 6. der hij pok begrijpt de gewijde sdiriflen des verbonds op. dezelve gegrond, veel eer om de oyertujging van cle overtrading 4ezer we/t, met anderc wooi'den van zonde of zedelijke verbastering , te bevorderen. Dat is de hoofdsom van zijne redenering in den voornoemcjen brief, Iloofdst. Ill , vers 20 , verg. ^iet yers 919 , Hoo.fdst. I, vers 18 52. Hij yerkondigt wijders in Let III Hoofdst. , eene regtvaardiging of vrijspraak bij God zonder de wet, dat is,-waartoe de onderhouding dier wet jvieits toebragt of toebrengen ton , en die ge-r tuigenls had yar?, de wet en de Profeten, yyaarin ook znlk eene regtvaardiging of vrij- spraak, als noodzakelijk, werd geleerd ; bet geen hij in bet IV Hoofdst nader aantoont (h). De vrijspraak nu , welke hij bedoelde ? was te verkrijgen door bet geloof in CHRISTUS JEZUS voor alien , die geloof den , welke dus om niet geregtvaardigd werden^ uit Godsgenade y door de verlossing ? die in CHRISTUS JEZUS is, vol- gens Hoofdst. Ill, vers 2124, verg. met vers 27 en 28. *. :{A) Tot dit W HopfJstuk Ji5jnt het 3i vers van het III te ^jK^qij^yraV ^^ I^et woprd wet (ve/A05) het Oude ment bedoelt p , iu dez? woorden : NoftOV SV ^IOL TW T/Vfw^s Mi} yevoiTO, &M.& vo^ov *olgns d aanmerking van P. BOSVELD in zijue schoone von, PAVLUI JSr. aan de Rom* te dezer pl ( 83 > Qfschooft PAuLuS im alzoo oorJeelde, dat, ter verkiijging dor Goddelijke vrrjspraak , geehe- eftderhouding dcr Mozai'sclie wet in aanmer- kirig kwam , wilde hij echter hiermede doze wet voor den Christen niet nutteloos verkla- ren, maar, gelijk hij reeds ter loops gedaan had, Hoofdst. Ill, 20. b in het vervolg, haar gezag ter aanwijzing van zohde of besli'ssing van tret geen zeddijk goed en kwaad is, handha- yen, het welk blijkt uit Hoofdst. VII vers 7 26. In donzelfden brief, Hoofdst. VI,. v. i4 en i5 vermaant de Aposlel de Romeinsche Christenen om de leer , die hij predikte , dat zi/ niet onder de wet war en maar onder de genade, niet te misbruiken tot zondigen (i}. lip' slemt toe , dat zij niet meer onder de wet , maar onder de gcnade wa?*en. Wet zal hier zijn de Mozaische wet) en wel de gelieele oude huishouding y frellce op die wet gegrond was en naar de zel~ ve oestuura wera; de genade het Euangelie 6j Euangelies bestuur van JEZUS CHRIST us , >t welk op Gods vrije genade en barjnhartigheid gebouwd is , en waar in zich de Goddelijke ge- nade omtrent den zondigen memcH , op eene zeer _(.i) Men rergeiijke Biei' BOSVELDS oplielderlng in zijne verklaring rari het VI Hoofdst, 24 , 26. wiens woorden ik , dewyl zi; 1119 at. zaafc zoo naauwlcearJg schenen uittedrukfieia , 6-vergenoiuen bb* (84) zeer luisteryke wyze, openbaart. De Romei- nen, aan welke PAUIAJS schreef, daar zy door het geloof en door den doop Christ enen gewor- den waren , stonden niet meer onder de wet % noch onder derzelver belemmeringen , harde dwangmiddelen en bedreigingen ; niaar zij wa- ren onder de genade , onder het zachte en lief, deri/ke juk van JEZUS , en van deszelfs Euan- gelische genadebediening , waar in fly degeloo- vigen , als kinderen Gods, door groote beloften, door 'tbewijs van Gods vaderli/Jc mededoogen T door toezegging van hulp aan den eenen, en van vaderlt/ke verschoning aan den anderen kant) aanmoedigt) om alle heerschappij der zonde tegen te staan en zich ernstig op de be- trachting van alle regtvaardigheid toe te leggen* Hoofdst. VII, vers i 6, gebruikt PAITLUS eene vergelijking van het huwelijk ontleend, hetwelk verbroken wordt door den dood des mans , zoo dat de vrouw , na des mans dood , regt heeft om zich aan eenen anderen man te verbinden. Hij wilde hier mede aantoonen, dat de Christenen rnt de Joden niet meer, ge- lijk te voren , onderworpen waren aan de Mo- zaische wet, die als 't ware gestorven was en dus de magt van hen te gebieden te gelijk met en door den dood van Chris tus () verloren had. In (/t) Met an door den dood c/t Christum Hoe dit te 1 ^ (85) In tegendeel badden zij nu eenen anderen beer, die uit de dooden was opgestaan , aan wieu zij eeniglijk verbonden waren , wien zij in al- les mogten en moesten geboorzamen , op dat zij Gode bebagelijke vrucbten voortbragten. Dit was niet mogeiijk door de opvolging der Mozaiscbe wet , gelijk die te voren moest plaats bebben. Tegen derzelver eiscben wareu de zondige bartstogten slecbts te meer in bewegfng geraakt , en badden alzoo bevig in bun bin- nenste gewoeld en bun bet doodvonnis waardig gemaakt. Maar nu waren zij , even als door den dood, ontslagen (/) van de geboorzaam- beid aan de Mozaiscbe wet, op dat zy dierten Zouden in nieuwheid van geest en niet in oud~ heid van letter (rn), dat is, op dat zij als aan Christus verbondenen in eenen gebeel nieuwen g^est God geboorzamen zouden, niet op de oude wijze, slecbts volgens den letterlijken zin met voorbijzien van de geestelijke bedoeling dier wet, maar naar den regel door CHRIST/US voor- zij , heeft BOSVELD , in den geest van PAULDS, duofct mij , zeer juist verklaard. 1 D. bladz. 255 en volgg. Verg. II D. laatste Stuk bladz. 255 en vervolgens. (/) Maar nu waren zij even als door den dood ont$lagen.~ Dit denlcbeeld wordt uit het vorige opgehelderd. Althans zoo komt net mi) met BOSVBLD \oor. Zie zijne uillegging II I), laatste stuk bl. 268 271 , bijzonder bladz. 270. en de laatst aangehualde uit het I D. bl. 255 272. (m) Horn. VII , 6. (86) foorgcschreven , die ook in zijne zedekun-* de , het geen uit MQZES wet, als zedelijk ver- pligtend , konde gelmald worden , op de duide lijkste en volmaakste wijze had opgenomen (). In het overige gecleelte van dit Hoofdstuk, ontvouwt de diepdenlvende schrijver nader da redenen van zijn gestelde in de zes eerste ver- sen. Hij wijst den Cliristenen de onmQgelijk- heid aan, om de vcrgiffenis van zonde en de ze- delijke verbetering , door het Euangelie beloofd, deelachtig te worden door opvolging der wet van MOZES , of liever door zulk een streven naar derzelver opvolging, als thans plaats had, onder de Joden van later tijd, die deze wet,, nog omtuind hadden met overleveringen der ouden. Om dit overtuigend te doen, vooron- derstelt liij voor cen oogenLIik, dat hi] zt^lfde proef wil nemen, om zich te reinigen van zon- de en te volmaken , door zoodanige opvolging dier wet- welke proefneming hem tot radeloos-^ lieid zonde vervoeren ? volgens vcrs- 24 ; zoo dathij geene andere uitvlugt zoude zien, dan tot Gods genade door JEZUS CIIKISTUS of Gods genadige vergifTenis en den bij stand des lieili- gen Geestes door den Heer JEZUS verworven , "Waardoorhij alleen den noodigen moed, kracht en (n) Deze plaats wordt nitnemend opgehelderd doer BOSVILD , g'e- k ook hit overige gcd^elte van dit Hoofd. ea bulp ter gelukkige bestrijding' zijhe keerde neiging en driften, nit zijn vleescb, dat is, zijn ligcliaam of dierlijk beginsel voort- spruitende, erlangen kon (o). In dit redebeleid openbaart PAUIAJS (vers i4) ter loops zijn gevoelen, dat dewet geestelp'k is* dat is , dat zij niet alleen letterlijk en 1'igcha- melijk , -maar ook naar derzelver geest moest opgevolgd worden (/?). Hoomst yill, vers i 10, vinden wij een Letoog des Apostels , om aan te toonen , dat geen Christen eenige veroordeeling meer te vreezen bad , wanneer bij zicli door JEZUS geest liet verlicbten en leiden, bet welk de eenige weg was ter verkrijging dier vrijspraak van zonden , en dier zedelijke verbetering of beili- (o) Vergelijk BOSVELD II D. laatste stuk , bladz. 296 , 2^96. (ji) Deze moeijelijke plants wordt wederom voortrefielijk nitge^ legd door BOSVKLD I D bladz. 3o6 55j. Door Let regt der wet hetwelk vervuld zoude worden door hen , die niet naar het vleesch wandeiden , maar naar den geest , verstaat Iiij , rni/il bedunkens , te regt de onderhouding van deu eisch der \vet ,. i>aar deszelfs geest. ,,Aan de liefide Gods boven alles'' zegt Iiij bladz. 3a5 ,,en aan de liefde des Naasten als tot ,zich zelven hing de gan- sche wet en de Propheten. Zie daar hoe door hen , die riiet nadt f t vlcesch wandeiden masir naar den geest , het regt der wet ve.r~ vuld wierd\ als mede de reden , waarom PAULUS hier/.oo in 't en- kelvoudige van het regt der wet spreke , daardttot kht(iobe.nde ddt hy niets meer dan de ziei en den geest van die wet bedoelde, (88) ging , welke men te vergeefs door zijne pogin- gen ter opvolging der wet van MOZES zoeken 2oude. Hoofdst. IX , geeft liij zijne smart over de Verharding der Joden , welke lien verhinderde om tot het Christendom over te gaan met tref- fende woorden te kennen, vers i 6. Hij doet deze zijne volksgenoten gevoelen , hoe de ver- hevene voorregten , welke zij genoten , de Lij- zondere betrekking, waarin zij tot God stonden , die lieti als tot zijne kinderen had aangeno- men ; de verLintenissen , bij de wetgeving , met God aangegaan; die wetgeving zelve, en de gansche Mozaische Godsdienst met de Goddelij- ke beloften daar aan verhonden; en daarenbo- ven een en dezelfde oorsprong uit de geloovi- ge Aartsvaders met CHRISTUS , dien Loven al- les verhevenen , hen tot het geloof in dien Ver- losser hereidwillig en volvaardig hadden be- hooren te maken. Daar op schrijft hij , na ee- ne tusschenrede , vers 3i en 3?, huniie ver- harding daar aan toe , dat zij zich bij God zoch- ten te regtvaardigen door de werken der wet, dat is, door het in aclit nemen van MOZES %vet met alle hare Godsdiejistplegtigheden en zinnelijke instellingen , en niet door geloof , of geloovig af te gaan op het geen him thans van Gods Gods wege werd aangekondigd als het middel ter hunner regtvaardiging. In het X Hoofdst. vers i 3,maakt PAUI*US wederom gewag van den verkeerden Godsdienst ijver der Joden , welke zich op eene eigendun- kelijke wijze bij God zochten regtvaardig te doen verklaren, door opvolging van de Mo- zaische Godsdienst, zonder zich te onderwer- pen aan de schikkingen ter hunner regtvaar- diging door God thans gemaakt. Hier la at de Apostel zich aldus horen , vers 4: want het eir*- de der wet is CHRIST us, tot regtvaardigheuL voor een ieder die gelooft. Wat zal dit anders zeggen , dan dat de oude Mozaische huishouding haar doelbereikt had Lij de kornst van CHKIS- TUS , op wien men nu geloovig jifgaan moest, om in Gods oog reglvaardig , Gode welgeval- lig te zijn; dat gevolgelijk door de komst van CHIUSTUS die oude huishouding verviel ? Zie daar de denkbeelden , welke PAUTAJS in zijnen brief aan de Eomeinen ontwikkelt, ter ontzenuwing van het dwaalbegrip omtrent het voortdurend gezag der wet van MOZES , hetwelk door Joden in het Christendom was overgebragt. Zie daar, hoe de bestrijding de- zer dwaling hem tevens aanleiding gaf, om nu en dan, als in het voorbijgaan , belaiigrijke (go) gezigtpunten te opcnen tfcr aanwijzing van het regt gebruik, hetwelk door Christenen vau deze wet konde en nicest worden gemaakt. Zijn Brief aan de Galaten is grootendeels te- gen dezelfde dwalende gevoelens ingerigt Terwijl PAULUS zich tegen dezelve aankant , laat liij wederom het een en ander invloeijen , uit hetwelk wij zijne denkwijze aangaande het zedelijk gezag, hetwelk de goddelijke wetten van MOZES in het Christendom blijven be- houden, nader leeren kennen. De zaak in verschil, waarover de Christe- nen uit de Heidenen hem schijnen geraadpleegd te hebben , kwam hier op neder : met of zij de zedelijke grondbeginsels der Mozai'sche wet vol- gen moesten ; deze zaak stelt hij buiten al- le bedenking , Hoofdst. V, vers i3 en volgen- de : maar of zij verpligt waren om zich aan die wet , in al haren om vang , zoo te onder- werpen als of MOZES bun Heer en wetgever ware, niet CHRISTCS ; in dier voege dat zi) zich ook aan alle de instellingen 7 ligchame-^ lijke verrigtingen en plegtigheden door MO- ZES voorgeschreven , houden moesten. Dat PAUJLUS toch door werken der -wet in dezen brief zulk eene onderhouding van MOZES wet verstaat, wordt duidclijk opgehelderd, wanneer men ( 9* ) men Hoofdst. II, vers i5, 16, ig,Hoofdst. vers 2, 5, 10 en volgende vergelijkt met het IV Hoofttst. , vers 9. 1 1 , V Iloofdst. # vers 16 en. vers n , VI Iloofdst., vers 12 z5. v ui Sommigc Christenen , die Joden van af konrst waren, wilden hen, die ait.aRdere volkcn te>4 de Gliristelijke Gemeente overgingen , noodza ken om zich te laten .Lesnijden. Hi'er Hit xnbest dan volgen dat zij niet sleeiits aan ($e* Lesnijdenis , inaar ook aan de overige instel*^ gen en plegtigheden van MOZBS wet zkli on- derwerpen moesten. Er werden dan ook in< de Galatische gemeente zulke nit liet Jodew- dom niet oorspi'onkelijke Cliristenen gevo*iden>^ die zich door de wMrneminir d-er wetten on>-> o trent het vieren van fecsidugcn en hoogtij(l(m reeds tiaar de Joodsclie begrip-en hcgoraie'n' te scbikken. Daar tegen nn ijvert de Apos tel PAULUS in dezen brief; doch zoo, dat hij met de uiterste omzigtigbeid zorg draagt-,- diit zij niet in bet deiikbeeld kwamen , als of zij even zoo wel van de verph'gting tot de Lejracbting dcr zedelijke grondstellingen en lee- ringeh der Mozaiscbc wet, als van bare ple^-i tigbeden, zinnelijke instellingen en anderevoor-. schriften ontslagen waren. Hij handbaaffc liier de zelfde leer aangaande dc ( 9' ) de vrijspraak van zonde bij God, door het geloof in JEZUS , en niet door de opvolging dier wet te verkrijgen , welke \vij zagen , dat hij in zijnen brief aan de Romeinen zoo ijverig verdedigde. Daar toe dient zijne aan- haling der woorden, welke hij den Apostel PETRUS te gemoet voerde , toen deze , uit vrees voor de Joden , eene dubbelzinnige han- delwijze aan den dag legde en zich afzon- derde van hen, die tot het Joodsche volk niet behoorden, met welke hij te voren ge- meenzaam had omgegaan (eloofden Verlosser de^i- wereld zonde wor- den daargesteld, en voor het genot dier nit- neinende geestelijke zegeningen , welke door het geloof in Hem thans alleen te verkrijgen Warep. Van hier dat hij .schrijft vers 23, si: dock eer het gvloof few am , war en wij ondeti* de wet in bewaring gesteld (daar onder) beslo-* ten zijnde tot op het geloof > dat geopenbaart zwde worden. Zoo dan dew et isonze tucht qpeester, geweest tot ChrLstus* of onze opvoedei^ en leidsman , in deujeugdigen staat onzes volks % die pns Itot CHRISTUS hragt en voor de komst van dien oppersten leidsman en wetgever voor- Lexeidde;. op dat wij uit den geloove zouden geregtvaardig d , dat is, door het geloof in Cliristus vrijgesproken worden van de straffe der (j) Vergclijk vers 16. ( 95 ) ) Over de uitdrukkiag T^V VO t a0V TUV ^VTOXdoV 5V zie ScHLY5HRi Lexicon in Nov, Teat, op kel , en uit de doorgaande leer des Apps* tels (-') Me seliijnt liier evenwel , onder Let oog te moefcen houden, gelijk elders, dat PAULUS spreekt van MOZES wet , zoo als die , in zij- nn feijd, door de overkveringen der ouden ge- h}k men mecndc, omtuiiid, docli in de daad vei'7AVtiard, verbasterd, en Ledorven was. P.at liij: doze denkbeelden gewoon is zamen te voegen , wanncer hij ijv^rt tegen de onderwer- ping ij uitstek tG zijti. Ztilk een Hebreor nu Lij iiitstek was, geiijk PAULUS zijne ! eigene loveirswijzc LesclirijFt, uict slechts onberispcifjk in liet sh'pt 'waarnenion f^O3. Noch zij , noch luinne vaderen haddt-n j"de uit een rein hart , een goecl gewefafi en cen OJfgawin&cl g&* loof. Bij gevolg kwam lid', in het Ciiristendom , aan op het nalaten van alle die ondeugden ? wel- ke met den geest der hcfJe en dus ook met den geest der Mozaische wet strijdig waren^ (c) Men raa4plcge GHEVB over doze plaats in zijnr A n^en stellen dezer leer werd zoigvuldig verhaald, dat men deze afscbafFing dier oude Israelitischc wet, niet zoo verstond, dat men dezelve voor- taan voorgebeel onbruikbaar bield en hare uit- muntende zedelijke voorschriften , docl en strefc* ting , waardoor zij eenig , altoos geldend gezag behield, voorbij zag, en in den wind sloeg. Thans moeten wij onzen aandacht meer Lepaald vestigen op de Christelijke leer aangaande dit altijd voortdurende zedelijke gezag dier wet.* Veelhier toe betrekkelijk is reeds in Let vorige Hoofdstuk voorgekonien. Dit stond in onaf- scheidelijk vertand met liet aldaar verliandelde. Dewijl ilc de aldaar verliandelde voorkomende BijLelplaatsen naar ' mijn oogmerk, opzettelijk heb getracht op te lieldcren 3 zal ik hier voorts kort kunnen zijn en dikwijls volstaan kunncn met derwaards te rug te wijzen. Vestigen wij dan vooreerst wederom onze aandacht op de verklaring van JEZUS. Volgens JEZUS verklaring Iieeft de wet van MOZES en de leer der Profeten daarop gegrond, een altoos verbiiulend gezag ter regeling van het zedelijke gedrag der menschen, door alle ceuwen lieeti. Zijn oogmerk was dan ook , niet om de ze- Selijke Levelen in deze wet vervat van hunne ferbindende kracht te berooven , maar integen- deel om door ontwikkeling en opheldering , aan ceneu uitgebreiden invloed teverschafTen. Hem Jiier in , . zoo wel als in het doen die? l>evelen, na te volgen , was.de wcg ter verkrij- .ging van ecr en hoogacliting in zijne gemeente; maar schandc en minacliting zoucle Jnj op zich laden, die sleclits in liet minstc de kraclit d^zer bevelen zoude ontzonuwen. Men zie Matlieus V, vers 17 19 , (c) en vergelijke de oplielde- ringdezer plants door denBooglecraar BERING A gegeven, in zijne verklaring der Bergrede van JEZUS , Bl. 48 53, en de aanteekeningen van den Boogleeraar VAN DER PALM op dezelve. JEZUS plaatst ecn onafscheidelijk verband tusschen de opvolging dier Levelen van mensch- 8. lie- (e) Zou de Heer wel zoo sterk gcsproken hetben , als Hij hier doet , indien Hij , buiten opzigttot het Jodendom , aan dfe MozaVsehe Wet , ter beslissing van het geen zedelijk goed en kwaad , regt of onregt is , geen het minste gezag had toegekend? zoude PAULUS, zi^i afgezant , zich dan \vel , bij Gemeenten uit Heidenen zoowel als Joden bijefeiiverzameld , aldus verklaard en van die wet zulk e'en gebntik gemaakt hebben , als te voren is opgemerkt en nog verder zal wor- den aangetoond? Moet hij dit aldus xloende niet gezegd worden , ook bij heidenen zoodanig gcbruik van deze wet gemaakt te hebben , zoo dra zij genoegzaam voorbereid waren voor zulk een onderwrfs ? Schreven JACOBUS, PETRTJS, JOHAKNES, op \vier brleven ik mij-,tjEir staving van dit gezag insgelijks beroep , aan gemeenten juist alleen uit oorspronhelijke Joden bestaande ? Bevonden zich on der dezelve geene Heidenen? Met deze aanmerking vervalt , dunlit-kntj , de bt- denking : of wel , nit het gebruik van en het beroep op d e Mozaif- Sche wet door JF.ZITS en zijne Apostelen volge , dat zij aan -die w^t, luiten opzigt tot liet Jodendom , eenlg gezag toekcnden j of zij 8i4 bjj Heidenen we! zoo zouden gebruikt hebben? lievendheid, welke in de Mozaische hoofdwet worden opgenoeind , en de verkrijging van dat duurzame geluk , waartoe Hij den mensch bren- gen wilde Math, XIX, vers 16 19, Marc. X, vers 17 19, Luc. XVIII, vers 18 20. In liet zedelijke verliaal van den rijken man en LAZARUS schrijft de Heer de gehoorzaam- lieid aan MOZES en de Profelen , den Joden voor , als volstrekt noodzakelljk ter ontkoming dier onlieilen na den dood, welke Hij in het voorbeeld van LAZARUS zoo levendig liad ge- schetst. Hij voerdt te dien einde ABRAHAM, in dien geest sprekende tot LAZARUS. En uit des Hollands doorgaande denkwijze, welke Hij , in de andere gesprekken , aan den dag legt, volgt, dat hij de gelioorzaamlieid aan die zuivere Godsdienstige en zedelijke voorschriften bedoelt, welke uit de schriften van MOZES en die der Profeten daar op gegrond , zijn afte- leiden. Lucas XVI vers 29 3i, Letten wij vervolgens wederom op de ver- Haringcn der Apostelen. VVelk eenen hoogen prijs JACOBUS Lleef stellen op dc wekelijksche voorlezing der wet van MOZES in de Sijnagogen , Diet tegenstaande hij van oordeel was ? dat de Heidenen van de onderhouding dier wet Le- hoorden ontslagen te worden, volgens Hande- ( "5 ) lingcn XV vers 2 1 , is boven reeds ppgemerkt. Deze prijsstelling kan , dunkt mij , niet anders verklaard worden, dan uit het Godsdienstig zedelijk gebruik dat van deze afgeschafte wet ten alien tijde bij voorlduring moest gemaakt worden. Voor den Landvoogd LIJSIAS , te Caesarea, zich verdedigcnde , verklaart PAULUS, dat hij, volgens die Godsdienstleer , welke de Joden secte of ketterij noemden, dat is, naar de Christe- lijke leer, den voorvaderlijken God diende, doch tevens gelooflle al het geen in de wet en de profeten geschreven was. Handel. XXIV vers. i4. Ilier schijnt hij het voorldurende verband tussclien de wet van MOZES en de Chris- telijke Godsdienst en zedeleer op het oog te hebben , het welk hij elders , gelijk wij zagen , zoo voortreffelijk handhaafde. In zijnen brief aan de Romeinen , hoofdst. VII , 7 26 , handhaaft PAULUS insgelijks het zedelijke gczag der wet, ter aanwijzing van de bron der ondeugcl (vers 7) ; roemt hij hare strekking ter bevordering van levens geluk , hare heiligheid , regtvaardighcid en goedheid [vers 10, 12]; noemt hij haar geesteli/k , doe- lende met deze benaming op haren zedelijken zin en bedoeling [vers i4 a] ; zegt hij in deze ( "6) befiagen te scheppen na den inwendigen tnensch, [vers 22]; met het verstand of den geest de ivet Gods te dienen [Vers 25 verg. vers 6] ; en dat ailes in een verband gelijk wij boven zagen , (/) waarin Lij zoo zeer ijverde te- gen de joodsche dwalingen , rakende de onder- houding der wet. Verg. VIII , 4 , en de te vo- ren gegevene opheldering dezer plaats. Op dezelfde wijze toont ook de Apostel , in zijnen eersten brief aan Tim. de zedelijke strek- ]king , waarde en bedoeling der wet aan. H. 1 , 5,8 en volgg. waaromtrent ook boven reeds het noodige ter verklaring gezegd is. In zijnen tweeden bYief aan Tim. legtPAULus eene heerlrjke getuigenis af van de schri- ten des ouclen verbonds, als van uitnemende ifuttiglieid zijnde, o?n den mensch wijs te ma %en tot zaligheid door het geloof in CHRISTUS J&zVs. Hz/ zegt, dat alle schrift van God itogegeven ook nut tig is ter leering , bestraffing , te regt wij zing ^ kort om, ter oefening in de deugd. Deze getuigenis van de heilige schriften dos ouden verbonds in 't algemeen ge- geven, is dus ook toepasselijk op de wet van MOZES. Niemand kan met regt twijfelen of hier de schriften des ouden verbonds bedaeld zijti, 89. ( "7 ) zijn, wanthij spreekt van heiligc schriften., TIMOTHEUS van jongs af geksnd had. Nu ren , in TIMOTHEUS jeugd, wcl de heilige schrif- ten des Oudcn Verbonds , niet die des NietiweiV Verbonds, ten minste niet alle , vervaardigd , be- kend en bij een verzameld. Daarenboven had PAULUS oudere hcilige schriften, dan die desOu- den Verbonds, als zoodanig ten zijnen tijde algemeen bekend, op het oog gehad, hij zoude dit duidelijk hebben te kennen gegeven. Ook duidt het Lijvoegscl door het geloof in JEZUS CHRIST us y volgens mijn gevoel, niets anders aan , dan dat men , om het ' bedoelde nut uit de heilige sell rif ten des Ouden Verbonds te trek- ken , met het onderzoek dier schriften het ge- loof aan JEZUS en zijne leer paren moest; op zulk eene wijze de zielverbeterende leer des Ou- den Verbonds beschouwen en betrachlen, als overeenstemde met de grondbeginselen des Christendoms. Zie H. Ill, i4-i7. ' JACOBUS vermaant, in zijn brief PL I, 22; 26, de Joden in vreemde landen verstrooid, welke den Ghristelijken Godsdienst beleeden, . dat zij niet slechts hoo?*ders maar ook daders des . woords of der Christelijke leere moesten zijn , daar zij anders gelijk waren aan iemand, die zijn aangezigt iireeneu spiegel beschou^de en vooits \ (n8) hefcen ging, zonder op te rnerken, hoedanig zijn gelaat ware. Dcze gt;lijkenis bczigt h'ij verder, vers 26, om hen aan te wijzen, wat zij doen moesten, om nict slechts vergetelijke hoor- ders te zijn, maar cladelijke beoefenaars des Christendoms te worded* Hij zegt , dat zij te dien einde moesten inzien, of eigenlijk vol- gens de kracht van het hier gebezigde Griek- sche woord ^a^KvTTstv , naauwJcsurig zich zel- ven bezien in de volmaakte wet^ die der vrij- held is, dat is, de wet des Christendoms, die de Joden bevrijdde van het lastige jnk van menigvuldige Jigchamelijke oefeningen en pleg- tigheden door MOZES opgelegd , en slechts de rciniging van het hart vorderde. Hij schijnt hier den geest der Mozai'sche wet te bedoelen die in de Ghristelijke zedeleer doorstraalt en zoo zeer geschikt is ter bevordering van volmaak- te ,de,ugdbetrachting, Immers, dat hij dezen Ledoelt, schijnt mij duidelijk te blijken uit H. II , 8 , 9 , alwaar hij hen wederom op- Wekt ter volbrenging van de Koninkli/ke wet nctar de schrift', Hebt uweu naasten Lief als U zelven, welke wet zij, door aanzien des persoons , overtreden zouden. Daarop gaat hij verder voort, vers 10, 11, met de aanbeve- ]ing van algemeenc menschenliefde en wel bij- zonder van barmhartigheid* Hij brengl him on- onder het oog, dat men de wet dcr liefde met slechts gedeeltelijk , maar gelieel betrachteri moest, zoo men niet schuldig wilde staan aan de overtrading der wet; en maakt gebruik van het Goddelijke gezag der Mozaische grondwet; om lam deze stalling aannemelijk te maken ea die te geiijk op te helderen. Want die ge- zegd heeft 3 sclirijft hij, gij zult gecn overspel doen , die heeft ook gezegd: gij zult niet dood* slaan. Indien gif nil geen overspel doet , jnaar doodslaat. zijt gij een overtreder der wet. Deze reclevocring besluit hij , (vers 12,) met deze les: spreekt alzoo en doet alzoo 9 cds die door de -wet der vrfjheid zult geoordeeld wor- den. Wil men oordeelkuadig te werk gaan, dan kan men, naai'mijn inzien, in dit ver3)and, door de wet der vrijlieid niet anders verstaan , dan die zelfde koninkli/ke wet der liefde , wel- ke hij him zoo even, met terug wijzing op de Mozaische grondwet , had bcvoleu, in hareu ganschen omvang te hetrachten. TWEEDE AFDEELING. Aanwijzing van het zedelij'ke gebruik , door JEZUS en zrjne Aposlelen van MOZES wet- ten gemaakt. In de vorige Afdeeling tepaalden wij onze aan- ( rao ) dandaclit brj de verklaring van JEZUS en zijne Apostelen betrefFende liet gczag, betwelk aan de Goddelijke wetten, door MOZES, aan Let Is- raeli tische volk gegeven, in liet Christendom) toekomt. Het is van aanbelang, dat wij tlians Let zedeiijke gebruik, door lien van MOZES wet- ten gemaakt, in eenige bijzonderheden aanwij^ zen. Door difc gebruik tocb, gaven zij een le- vendig voorbeeld van de wijze , waarop mea zich, volgens bun onderwijs, van bet gezag de- zcr wetten , ter beslissing van bet geen met de eiscben van recbt en deugd overeenstemt in het Cbristendom, bedienen mag en moet. Bij eene naauwkeurige overweging van de scbriften desNieuwen Verbonds blijkt: vooreerst, hoe zij bunne zedeleer vestigen op den grond- slag , waarop de ganscbe wet van MOZES rust; ten tweeden, boe voorts hunne bedoeling was, om de beginselen van regt en zedelijkheid, in de Mozai'scbe wetten vervat, te ontwikkelen, op te belderen en uit te breiden: en eindelrjlt, boe zij , volgens deze leerwijze van bet gezag dier wetten gebruik maken ter inscberping van bij- zondere pligten en derzelver drangredenen , en ter aanwijzing der bron van deugd en on- deugd, EER- ( "I ) EERSTE HOOFDSTUK. JEZVS en zi/ne Apostelen vestigen hunne zedeleer op de grondslagen , waarap MOZES wet is gebouwd. JLFc gansclie wet , zoo als die ook door de Profeten is ingescherpt , rust op deze twee hoofd- geboden der zedelijkheid : dat men met alle zij- ne redelijke en zedelijke vermogens, God als zijnen Opperlieer , uit liefde moet trachten wel- gevallig te zijn, en zijne medemenschen zoo liefderijk Lejegenen , als men van lien wenscht Lejegendte worden , volgens Math. XXII , $7' 4o, Marc. XII , 29 5i , Luc. X, 2628. JEZUS de wet uit dit opgpunt doende beschou- wen , maakt dezelve , voor alle menscljen sionder onderscheid , tot een rigtsnoer van him ge- drag jegens God en Imime natuurgenoten. De wet van MOZES en gevolgelijk,ook de ver- maningQn der Profeten Icveren , naar JEZL T S on-* derwijs, dezen algemeenen grondregel voor het zedelijke gedrag der menschen jegens elkande.- yen op : Leliandel uwen natuurgenoot met dq zelfdeLillijkheid, regtvaardigheid en welwillend- heid, als gij van hem meent te moeten behan- deld worden. Math. VII, 12, Luc, VI, 3x / ? Math. ( 122 ) Math. XXII, 59 (#). Over Let verband tns- sclien zoodanige menschlievendheid en de ver- krijging van bestendig levensgenot, volgens Math. XIX, 1619, Marc. X, 17 19, Luc. XVIII , 18 20 , door den Heiland aangewezen , is in het vorige Hoofllst. dezer verhandeiing gesproken. Men kan hier zijne laatste redenen hij Job. vergelijken, die niets dan liefde aanprijzen en liefde ademen (/*). In den brief aan de Romeinen , Hoofdst. XIII , 8 10, vermaant PAULUS de Cbristencn tot onderlmge liefde jegens elkandercn. Hij ge truikt daartoe dezen aandrang: Dat die den an- deren liefheeft de wet heeft vervuld* Hij Le- tioelt daarmede duidelijk den geest der Mozai'- Sche wet, volgens wolke men handelt, wan- neer men elkander lief heeft. Van daar, dat Lij zijne stelling opheldert met aanvoering- dier (g) Ter opheldering van dezen grondregel dient hij nitneinend- lieid de , door de maatschappi j Tot Nut van ' t Algemeen , be- iroonde Verhandeiing van den Wei Eerw. Heer L. VALK , welker titel is : PUgt en Belang vereenigd in de groote les : Wat gij wilt j dat U de menschen zullen doen , doe fieri ook alzoo. Men vergelijke ook hier de bekroonde Prijsveihflndeling vaa den Hoogl. HERIJJGA over de Bergrede van JEZUS. Bladz. 122 128. vraar men belangrijke wenken en opmerkingen tot regt verstand vaa diezelfde les vinden kan. ' (h) Zic bij v. Job. XIII, 1217, 34, 35 j XIV, i5, 21, , 2024, veig, XVII. C "3 ) dier bevelen uit de Mozaische grondwet, wel- ke eenige hoofdsoorten van onregtvaardigheid jegens den medemensch verbieden. TVant dit y zegt hij , gij zult geen over sp el doen,, gif zult niet doden , gij zult niet stelen , gij zult geen valsch getuigenis geven , gij zult niet begeren , en zoo er eenig cinder gebod is , wordt in dit woord als in eene hoofdsom begrepen (name- li/k) in dit: gif zult uwen naasten liefhebben cds u zelven , hetwelk wederom een gezegde is uit Leviticus XIX , 18 ontleend, te gelijk ter opheldering van PAULUS gezegde, en ter sta- ving van zijQ gevoelen omtrent den geest der Mozaische wet dienende. Hij besluit: de Uefde doet den naasten geen kwaad , zoo is dan de Uefde de vervulling der wet. Hier bezigt hij dus bet gezag der Mozaische wet zel- ve, om den Ghristenen te leeren, dat zij ge- houden zijn om te leven naar den geest der menschenliefde welke die wet ademt. Op dezelfde wijze redeneert hij in zijnen Br. aan de Galaten, Hoofdst. V, i3i5,en wijst vers 5 , ter bevordering van het heil des Chris- tendoms alle kracht toe aan het geloof door de Uefde werkende , verg. vers 18 23 en 26, al- waar hij zijne vermaning tot liefde op bij- zonderheden toepast. Van hier dan ook die f schoo- ("4) beschrijving van den waren aard det menschenliefde , welke liij geeft i Cor. XIII. En hoe zeer liij gewoon was de Gliristenen op te sporen om uit een Leginsel van dankbare wederliefde jegens God werkzaam te zijn , }3lijkt uit zijnen 2 Br. aan de Cor. V, i4, i5, verg. 18, tot VI ? 2. En, om mi Lij andere soort gelijke proeven uit de Apostolisclie brieven niet stil te staan, JOHANNES scherpt, in zijnen eersten Br. den Ghristenen de liefde jegens God en menschen , als een kenteken der ware Godsvruclit of des echten Christendoms , in. Hij volgt hier in JEZUS , die de liefde als de hoofdsom der wet en Profeten , aan zijne vol- gelingen , ter Leoelening aanbeval. Hij past de wet der liefde , naar zijn oogmerk , ter be- vordering van eendracht onder Christenen van verschillenden oorsprong, toe. Zie i Job. H, vers 9, 10, 115 III, 10 18 , alwaar liij, vers 17 3 eene vermaning tot mededeelzaamheid aaii den armen invoegt , die duidelijk ontleend is uit Dent. XV, 7, 8 en op deze plaats te rug wijst. Zie voorts i Job IV, 7 12, 16 21; V, i 3, en vergelijk de belangrijke ophelde- ringen van BRINK. Hoofdst. IV, 12, zegt hij : dak niemand ooit God aanschouwd heeft, maar dot wij in God Hijven en zijne liefde in ons ydmaakt is , indien wij elkanderen lief hebben. Hij Hi) schijnthier te zinspelen op Exodus XXXIII, 20 , Deut. IV, 1 2. In zijnen twceden Br. beveelt JOHANNES, in denzelfden geest, de liefde aatt als in zijnen eersten. Zie vers 5 6, Vergelijk i Tim. I, 5, VI, 11, 2 Tim. I, 13; II, 22, Hebreen XIII, i Jac. II, 8, verg. 9 12 en I, vers 20. TWEEDE HOOFDSTUK. De beginselen van regt en zedeli/kheid in de wet van MOZES uitdrukkeli/k ingescherpt of daarin doorstralende zulver voor te stellen , door opheldering en ontwikkeling van uit- gebreider nut voor het menscheli/k ge- geslacht te doen zijn dan te voren , was bedoeling en die zi/ner Aposlelen. Tolgens Math. V, 17 20, had JEZUS fa zijne Bergrede verklaard, dat Hij niet geko- men was , om de wet en de Profeten of de ze- deleer van MOZES en de Profeten van haar veiv bindend gezag te berooven en die te ontzenuwen , gelijk namelijk de Jodert van zijnen tijd veelrf de gewoonle hadden; maar om dezelve dodr ontwikkeling en opheldering van uitgebreidernut te doen zijn (i). Van deze opheldering (*) Vergelijk hetgezcgdcin het II Hoofdit. drvorlge AfcUeliqgi keling en uitbreiding vinden wij verscheidene proeven van vers 21 48. Des Heilands leer is hier ingerigt tegen de onvolmaakte voorstel- ling van sommige wetten van MOZES, welker letter de Joodsche leeraars handhaafden, of- schoon zij in derzelver geest niet indrongen > vers 21 , So ; tegen bet misbruik en de verdraai- jing van amlere, vers 3 1 42, en tegen grondbe- ginsels door die leeraars ingeprent , welke vlak aanliepen tegen den Goddelijken geest der liefde , welken de Mozaische wet ademt. Dat de Mozaische leer door de Profeten ge- predikt barmhartigheid ademde en bet verzuim van menscblievendheid , bij God niet kon ver- goed worden door bet stipt waarnemen der Godsdienst-plegtigheden, als die zelve tot cen voornaam doel badden de bevordering van Godebehagelijke menscbenliefde en deugd, leerde JEZUS den Joden met terugwijzing op hunne beilige scbriften. Math. IX, i3; XII 3 7, Luc. XIII, i4 enz. verg. Hos. VI, 5, Mich. VI, 8. In dienzelfden geest sprak PAULUS? in zijnen Br. aan de Rom. Hoofdst. II, 1229 , verg. VII , 7 en 1 2 en 1 4 a , insge- lijks vers 6 b en VIII , 4 , in zijnen Br. aan de Qalaten en op andere plaatsen boven reeds aan- Math. Math. XV, 120, verzet de Heerzich tegen de verbastering der Mozaische zedeleer door de menschelijke iastellingen der Joden^ welke de Phariseeuwsclie seote volgden. Zij schreven menigvuldigc wetteri voor ter reiniging van het ligcliaam , en stelden in soortgelijke uitwendige verrigtingen grooler heiligheid, dan in de be- trachting van menschen- ja zelfs van ouderliefde en de reiniging des harle van onreine gedachten^ driften en begeertcn. JEZUS toont bun duide- lijk aan , dat zij alzoo , onder scbijn van de Mozaisclie wet te volgen , waarin ook ligcbame-- lijke reinigingen werden voorgeschreven , doch die zij door Imnne instellingen in bet ongerijm de vermeerderden en verzwaarden ? in de daad diewetontzenuwden,daar zij bare zedelijke voor- scbriften en bedoeling niet acbteden. Hij ver- wijst ben naar de zedelijke geboden der wet, Exodus XX, 12, Deut. V, 16, Exodus. XXI, 17, Levit. XX, 9, welker minachting en ver- waarloozing zij , door hunne instellingen betref-. fende de tempelgaven , veroorzaakten. Hij doel .hen gevoelen, hoe zeer zulk eene leer en ban- del wijzc streed met den geest der Mozaische wet , volgcns de verklaring van den Pi^ofeet JEZA'I'A , wiens woorden , uit Hoofdst. 29 vers i3, bij aanliaalt. Voorts prent Hij bun, die Hem berispt hadden , om dat zijne leerlingen rick niet aan hunne menschelijke inzettingei* of reinigingswetten hielden , op liet diepst deze leer in: dat geene ligchamelijke maar zedelijke reiniging liet wezen der cleugd uitmaakte ; verg. Marc. VII, 23, alwaar vele merkwaardige bij~ voegselen ter opheldering zijn, die Matlieus niet heeft. Ter verklaring dezer rede van JEZUS HiOet vooral vergelckcn worden LIG^TFOOT, |n zijne Horae Hebr. el Talmud. Men zie ook Math, XXIII, 2enz.(*). Math. XII, i 13 vinden wij een voorLeeld cener vetlichte uitlegging der wet van MOZES , takende het vieren van den Sabhath of rustdag. Deze uitlegging is ingerigt ter wedeiiegging Iran de kleingeestige verkiaaring, welke de Jo- den van den Phariseeuwschen aanhang aan de- Ze wet gaven. Deze schreven eene rust of Werkeloosheid op dien dag, voor, waaraan MOZES niet gedacht had en die in het helagche- lijke liep. Korenaren plukken en eten, wan- iieer men honger had; een mensch van lig- thaattis kwalen te genezen , was hij hen , op den Sab- (t) Men vergelijke hier ook de schoone aanmerkingen over de Godsdienstpligten en zedelessen door JEZUS en zijne Apostelea Toorgeschreven en aangedrongen in de verb. Tan den Hoogleeraar J. HKRIMGA ter betooge; Dat JEZUS en zijne Apost elen zich door- gaans niet gesohikt hebben naar de verkeerde vooroordeelen Mn hunne tijdgenoten , bekrocnd door het Haagsche Genootschtp van de Christelyke Godsdicnst, bladz. 96 loo. Sabbatfi , verbodcne bezigheid. Dat zulk een oiibarmhartig verbod nitnrner door MOZES wet gegeven was , maar integendeel de beoefening van barmhartigheid en menschlievendheid als een eerste pligt .daar in was voorgeschreven , beweert JEZUS. Ook de wet, die een rustdag voorschreef , was uit barmliartigheid ter ver- kwikking van den mensch gegeven. Zoo ver- re was liet er van daan , dat daar door de no- dige werkzaamlieid tot bet stillen van den hon ger, liet genezen van eenen kranken en der- geljjke zoude verboden zijn. Dit moest bij de vei'klaring en toepassing der wet omtrent den Sabbath, en over bet algemeen, bij de uitleg- ging der wet van MOZES , wel degelijk worden in bet oog gehouden. Dit had DAVID begre pen , toen hij hongerendei de toonbrooden van de priesters had begeerd. En deze waren van bet zelfde begrip geweest, daar zij hem die, in den nood, hadden toegestaan. Ook strekt zich bet verbod van te arbeiden op den rust- dag niet tot noodzakelijke bezigheid uit. Want anders moesten de Priesters, op den rustdag, ook hunne dan gevorderde werkzaamheden niet verrigten. Soortgelijke handelwijze, door het gezond verstand zoo zeer gebillijkt, volg- den anders die bedilzuchtige Pharizeen zelve, Wanneer zij een in de gracht gevallgn Leest, 9- OR i3o pp den Sabbath, claar nit liielpen. En hoe vcol grooter waarde had een mensch! Weshal- ve het hoogst onbarmhartig en dwaas was te verbieden, dat een mensch, op den Sabbath, genezen mogt worden. Vergelijk Marc. II, 23 tot III, 5, Luc. VI, 11 i; XIII, 1317. De verklaring van JEZUS strookt met die der Profeten , volgens Hosca'VI, 6', Mich. VI, 6 8. Vergelijk Math. IX, i3 en XXIII , 2 3, Luc. XI, 42, alvvaar insgelijks dc barmhartJgheid \vordt voorgesteld als met den geest der wet zoo zeer overeenkomstig , dat hare verwaar- loozing door geen offer kon worden goed ge- maakt, en hare beoefening door geene wet mogt worden gehinderd. Daar , waar JEZUS tegen de ligtzinnige echt- scoeimngen, hoedanige onder de Joden in zwang gingeiij ijvert, draagt hij wel zorg, om het gezag van MOZES, wicns wet zulke echt- scheidiugen toeliet , niet te na te komen, niaar merkt die toelating aan als om de hardigheid des .liarte, ter voorkoming van grooter kwaad> geschied. Hij grondt tevens zijn verbod dier "tvillekeurige echtscheidingen op de Mozaische wet, welke het ov.erspcl vcrbiedt; ten duide- lijken biijke, hoe zeer . zijne zedeleer met die Wet overeensterat, daar uit is afgeleid en der- zel- gezag handhaaft , Math. XIX, 3 g, Marc. X, 5 12. Job. VII ^ ig,verwijt Jezusden Joclen , dat zij de wet van MOZES niet hielden , dewijl zij hem zochten te dooden. Hij maakt dus hier gehruik van het gezag van MOZES wet , die het doodslaan verLiedt , om him het zedelooze van hunnen doodelijken haat jegens Hem onder het oog te Lrengen , en hen door die Wet, als door eene tritspraak van den Hemel- schen Regter, van het God onteerende en straf- waardige van zulk eenen hevigen afkeer van hem te overtuigen. Vervolgens Lewijst Hij hun, uit die zelfde Wet van MOZES, dat het ongerijmd was te stellen , dat Hij misdeed met eenen mensch op den Sabbath te genezen ? daar de besnijdenis 9 volgens hunne eigene toestemming, op den Sab- bath somtijds geschieden moest, wanneer op denzelven de achtste dag van de geboorte van eenen zoon inviel. Deze redenering besluit de Heer met hen te vermanen tot een rcgtvaar dig oordecL Hij schijnt hen, bij dcze ning, te rug te wijzen op Deut. I , jf ( '32) DERDE HOOFDSTUK, De HEILAND en Zi/ne jfpostelen bedienden zich van het gezag der wettcn van MOZES , ter inscherping en ophelderijig van bijzon- dere pligten en derzelver drangredenen , en ter aanu>z/zing der hoofdbron van deugd en ondeugd. Hier kornt vooreerst in aanmerking het ge- Lruik, door hen van MOZES wet gemaakt , ter insclierping \&frpUgten jcgcns God. Math. IV ? 7, verg. met Luc. IV, 12, vindt men ^ in het verliaal van JEZUS verzoeking in de woestijn, gemelcl, dat de verl eider den Zalig- niaker nitdaagde om zich van boven neder van den tempel te werpen , ten einde eene proef te geven, dat Hij Gods Zoon was; dewijl er toch gcschreven stond dat God aan zijne En- gelen Levelen gegeven had > om hem, voor wien Hij eene hijzondere zorg droeg^ te hewa- ken,in de gevaarlijkste ornstandigheden. Het dwaze en ongeoorloofde derer onderneming had de Heiland zijnen verleider doen gevo-elcn ^ door hem te verwijzen naar de wet van MOZES , Deut. V 3 16, en in deze woorden vervat:'G//* zult JEHOVA uu>en God met verzoeken* en ook dcze plaats'uit Math, en Luc. wordt wordt voortreifelijk opgehelderd , in de aanmer- king van PERPONCHER, l)ij de INederd. 'vert, van MICHAELIS overzetting dczer woorden uit Deuteronomium. Zoo maakte de Heer, bij die zelfde gelegen- heid, nog gebruik van eene andere wet van MOZES , Deut. VI , i3 16 en X , 20 , die lioofd- zakelijk hier op neder komt: Den Heer Uwen God zult gij aanbidden of hnldigen en hem al- leen dienen , om de lioogmoedige verleiding des Satans te wederstaan, die Hem alle Koning- rijken der wereld beloofde , indicn hij Hem wil- de aanbidden of Imldigen, Math. IV, 10. Hebr. II, 2, leidt PAULITS daaruit, dat alle overtreding van bet woord door de Engelen gesprokcn , waardoor hij ongelwijfeld de open- baring des Ouden Verbonds en in 't bijzonder de Mozaische wet bedoelt, regtvaardige vergelding ontvangen had, deze gevolgtrekking af: dat veel minder de Christenen de straf ontvlieden zullen, wanneer zif op zoo groote zaligheid geen acht geven , welke , eerst door den Heer JEZUS zelven verkondigd, aan hun bevestigd -was geworden door de gene , die hem gehoord hadden, God boven dlen mede getuigende door teekenen en wonderen en menigerlei krachten en bedeelingen des Heilige.ii Geestes, naar zy- nen ( '34 ) nenwil: vergelijk Ilebr. X, 28 , 29 en Numer. XXX V,3o/ Deut. XVII, 6; X, i5, verg. ook liebr. XII, i5 25. Hebr. X , 3o , maakt PAULUS van dezelfde plaats , uit Deut. XXXII , 35 , welke liij , in den Brief aan de Rom. XII, 19, aanliaalt, doch met een ander opgmerk, gebruik, om namelijk van Jiet vertreden van den Zoon Gods , Let onrein acliten van liet bloed des Nieuwen Verbonds, waar door men geheiligd is en liet smaden van den geest der genade af te schrikken. Het schijnt dat liet #ezegde : de Heer zal zz/n volk oor- deelen , uit dat zelfde hoofdstuk van Deuteron. vers 36 , ontleend is. Men vergelijke bij deze plaats van Deut. VAN DER PALMS aanmerking. Zoo dit gezeg- de van MOZES , in Deut. in eenen goeden zin moet worden opgevat ? dan ook hier. Het zai dan eene troostrede zijn, \vaarbij den verdrukten Chris- tenen de bescherming en verdcdiging van God wordt toegezegd tegen bet onheil , dat zij te lijden badden van hen, die in bet sgste vers zijn bedoeld. PETRUS wekt,ift zrjneneersten Brief, H. 1, 16, de Christenen op , om geli/k Hy die hen geroe- pen hadf hellig was , zoo ook zelve heilig te war- den in al hum&n wcuidel) en gebruikt daartoe eene * ( '35 ) eene drangreden nit de wetvanMozEs ontfeend: daaroin dat er geschreven is ': zyt heillg , want? ik ben heillg. Dcrgelijke vcrmaning vindt men Leviticus, XI, 44, 45; XIX, 12, verg. XX, 7^ gelijkLoven is opgemerkt, D. I, Afd. II, II. L> In denzelfden Brief Hpofdst. II, 9, noenit PETRUS de Ghristenen een uitverkoren geslacht. , een koninkli/k priesterdom , een heillg volk , een verkregen voile , met zinspeling op de oude Le- trekking, waarin bet Jooclsclie volk, coder de ' Mozaische liuisliouding, tot God stond, volgens Exodus XIX, 5,6(/), Deut. IV, 20, HootcisL VII, 6; XIV, 2; XXVI, 18; XXVIII, 9. Uit eene soortgelijke Letrekkiog, welke hij biei* , hcweert, dat de Christenen op God heLben, leidt liij dit gevolg af : dat zij moesten verkondigen de deugde?i des genen , die hen uit de duister~ nis gerocpen had tot zi/n wonderbaar licht. Hij gaat voort in die zelfde vergelijking , vers 10, alwaar hij sclirijft: Die gij eerti/ds geen volk waarl ; maar nu Gods volks zijt , die eer- tijds niet ontfernid waart^ maar nu ontfermd zijt geworden. , Vergelijk Math. V , 33-37 ; XXIII , 16-22 , al- (/) Vergelijk het ovei 1 verg. met vers i 6 In zlj- nen Br. aandeEph. VI, i 3, inimers tracht PAULUS de kinderen der Christelijke gemeen- te tot gehoorzaamheid aan hunne onderen te bewegen, door hun dit geLod der wet in te scherpen : eert uwen vader en moeder^ en hen opmerkzaam te maken op de drangreden , Welke bij dit gebod gevoegd is, op dat het u welga en gij lang lee ft op de aarde (of in het land), vergeleken Exod. XX > 12, Dent. V, 16. Hij haalt deze drangreden -wel niet woordelijk, maar hoofdzakelijk aan , om die , volgens der- zelver hoofdbcdocling> op de kinderen der Chris- telijke gemeente te Ephese te kunnen toepas- sen. De vermelding van den letter der wet op dat het u welga in het land ' welk de Heer uwen God geeft koomt hier niet te pas. ( '3,8 ) Gelijk MOZES bevolen had den kinderen inte scherpen de woorden, die hij gebood en wei lioofdzakelijk , dot zij zouden liefhebban den fleer hunnen God met gefieel hun hart en met gcheel hunne ziel en met al hunne kracht , vol- gens Deut. VI, 7, verg. i 6, zoo vermaant PAULUS, Epli. VI, 4, dan ook de Christenen, om hunne kinderen op te voeden in de leering en vermaning des Heeren. Zoo waarschuuwt JACOBUS , in den geest van MOZES , tegen onregtvaardige behandeling van den daghuurder. Hij zegt, in zijnen Br. V, 4 , alwaar hij de rijjcen verm aant : Ziet de loon der werklieden die uwe landen gemaaid hebben % welke van u verkort is , roept : En het geschrei der gene , die geoogst hebben , is gekomeji tot in pr Lester Gods? geantwoord had: ik wist jiietj mijne breeders ; dat het de hoogepriester was\ want daar staat geschreven: den Oversten uwes f^olks zult gi/ met vloeken* Hij doeldq hiermede ongetwijfeld op de wet van MozES) Exod. H. XXII , 28. De verzorging van hen , die zich toewijden aan den arbeid ter bevordering van de goede zaak des Christendoms, wordt, met stelregels uit de wet van MOZES ontleend, aanbevolen. Math. X, 10, voert de Zaligmalcery zoo het schijrit met terug wijzing op de wet van MO- ZES , den stelregel aan : de arbeider is zi/n voed sel waardig i (/n) > om zijne zendelingen gerust te stellen, wegens de opofieringen, welke zij, ter voldoening aan hunnen last, zich zouden moe-, (m) Die stelregel althans worclt ook door MOZES gevolgd Deut. XXV, 4., en op deceive is de wet Uvit. XIX, i3, Deut. XXIV, l4 gegroud* Men \ergelijke de yolgeude aaunicrking. moetcn getroosten. Plij wil him doen gevoe- len , dat zij lict voile rcgt hadden ? orn , op liunne reizen ter vestiging en uitbreiding ce- ner Ghristelijke gemecnte, het noodige onder- houd te verwagten van hen, voor wier zielen- heil zij alles verlieten. Van hier dat ook PUALUS zijne stelling, dat God verordend heeft, dat, die het Euangelie verkondfgen , ook van het Euangelie leven , uikdrukkelijk vestigt op de Mozaische wet, Deut. XXV, 4, eenen dorschenden Os zult gi/" niet muilbajiden als hi/ dorscht (/z). De zelf- de stelling grondt hij op de instelling der Mo- zaische wet, Deut. XVIII, 18, dat de ge- ne, die de heilige dingen bedienefi, van het hei- lige eten en die den altaar steeds bij/ zi/n , dee- len met den altaar 9 i Cor. IX, 9, verg. i Tim. V, 17, 18. Zoo wordt ook de wet van MOZES gehezigd ter aanbeveling van het gebruik van twee ofdrie getuigen ter Leslissing van alle belangrijke ge- schillen. Zie Math. XVIII, i5, 16, verg. Luc. XVII, 3, 4, en Deut. XIX, i5. - Joh. () Over de*e wet raadplege men MICHACLIS Mos. Becht 9 !Th. II, 128, i5o, en vergelijke Th. Ill, i64. In he* Hide Deel dezer VerlmRdeling rindt men de zedelijke bedoelin- geo van deze en soortgelijke wetten tiader aangewezen , Ilde Af-, Ilde Hoofdstuk, Job. VIII, 17, 2 Cor. XIII, i,verg. i Timl ,19. PAUIAJS ontleent uit de Mozaische wet deze veelvermogcnde drangrcdcn tot de beoefening dcr deugd : dat God geen aannemer des per- sons is. Rom. II, n, zegt liij : er is geen aanne- yiing des persoo7is bij God. Zoo wordt Deut. X, 17, van God gezegd: Die geen aangezigt aannecmt en geen geschenk onlfangt. Verg. Gal. II, 6, Epb. VI, 9, i Petr. I, 17. 2 Cor. IX, 7> schijnt de aandrang tot blij- moedig geven aan den armen uit de wet van MOZES, Dent. Xf 9 7, ontleend, gelijk in dit verband, op meer plaatsen uit het Oude Ver- 71 r bond gedoeld wordt. PAUIAJS waarsclmuwt tegen hoererij met drang- redenen , uit eenen stelregel van MOZES , en uit den geest der wetten betreffende den tem- peidienst afgeleid. i Cor. VI, i3 b 20 (o). De (o) Hi; zegt vers 1 3 b , dat het ligchaam niet is ?oor de hoererij , maar voor den Heer en de Heer voor het ligchaam , eh vervolgens: weet gij niet , dat uwe ligchamen Christux le- den zijn ; zal ik dan de leden van Christus nemen en maken ze leden eener hoere? Dai zij verre. Hierop laat hjj volgen; of en weet gij niet , dat die de hoere aanhangt , een lig- chaam met haar is? Want dj,etivee, zegt hij ,zullen tot een vleesch wezen. Hij doelt hier ongetwiyfeld op Gen. II, a4, al- Mozw dc schcpping der vrouwe uit den mau verhaald hcbbcn- DC Jaatste drangreden bczigt hij ook terw0- fing van algemeen zcdebederf uit onvoorzigti- ge gemeenschap met onchristenen voortsprui- tende, 2 Cor. VI, i4 VII , i , alwaar hij te- vens , met zinspcling , zoo het schijnt , op de zedelijke Ledoeling der Mozaisclie reinigings ivetten , eene zedelijke reiniging aanbeveelt. i Tim. IV, 4, ijvert PAULUS legen hen, die ver- de volgen laat: Daarom zal een man ztjn vader en moedef verlafen en zijne vrouw aankleven / en zij zullen tot een vleesch zijn. MaardiedtnHeer aanhangt , ze^t PAULUS wijdets , is een geest met Hem. Het is klaar , dat liij hier de woorden van Mo- BS tot een geheel ander oognierk bezigt , dan die wetgever der Is- raeliten deed. MOZES wilde daarmede eene onafscheidelijke vetbin- tenis der liefde tusschen man en vrouw bevorderen , en aanwijzen , hoe die , uit den aard des huwelijks , -volgens de oorspronkeli^ke God- aelyke bestemming van den maa en de vrouw , voortvloeit. PAU- tus bezigt des wetgeverg woorden, om aantetoonen, dat er nit den aard der zake , soortgelijke naauvve vereeniging , schoon geheel tegen de Goddelijke verordening aan , en op eene misdadige wijze ,bestaat tusschen eene hoer en hem , die haav aanhangt ; eeue vereeniging , \velke onbestaanbaar is met die teedere verbintenis , welke tusschen de Christenen en hunnen Heer behoort plaats te hebben , daar zi} Jfgchaam en geest, welke aan de betrachting van zijnen wil , moeten gewijd zijn r aan Hem ontirekt en der ontucht dienstbaar maakt. Verder g^bruikt de Apostel eene vergelijking van den Israelitischen tempel, dat zinnebeeld der Goddelijke woning, ontleend, om hen met des te meer aandrang te vermanen , om bun ligchaam zuiver te houden van de ontucht. Hij zeijt: of weet gij niet dat uv> ligchaam een tempel is des Heiligen Geest es , die in U is t dien gij van God hebt enz. Hij wilde heu dus door den eer hied voor Gods gecst t wiens invloed op hunnen geest ziy ontwaar* den, opwekken tot een Godebehaaglijk gebruik van hua ligchaam en geest. ( '43) vcrbiedcn te hnwelijken en willcn > dat melt ich van spijzcn ontlioude, die God geschapen heeft tot nuttiging met dankzegging. Want (tile schepsel Gods zegt liij , vers 4, is goed^en daar is niets verwerpelijk met dankzegging ge jiomeji zi/nde. Hij schijnt te doelen op het geen MOZES , in zijn scheppings-verhaal , meldfc van de spijze , welkc God den mensch tot ge- bruik aanwees, Gen. I, 29 en IX, 3, en op het geen liij Hoofdst. I, 3i zegt: en God zag al wat Hi/ gemaakt had en ziet het was zeer goed. PAUL.US en PETRUS vermanen de vrouwen tot onderdanigheid aan hare mannen (/?) en de laat- ste stelt haar , als een voorheeld van behoorlij- ke Onderdanigheid, dat van SARA voor (g). Ook ( p] Men zie l Cor. XI , 3 , 7, 8,9, alwaar PACLUS doelt op het verhaal van MOZES, Gen. II, 20 a3 , in verband gebragt met Gen. I, 26, 27 j V, 1. Vergelijk i Tim. JI , 1 1 i4 , alwaar luj op lietzelfde verhaal , doch teven.s op dat Tan de verleiding van den man door de vrouw , Gen. Ill , 6 en volgende , terug ziet. Men zie voorts Eph. V, 2224, 336, Colos, III, 18. Tit. II, 5. i Pet. Ill, 16. (q) Sulen der door PETRUS , ter aangehaalde plaatze , bedoelde onderdanigheid van SARA , meent H. DE GROOT , te regt , genoeg tc kunrien 'opsporen uit Gen. XII , 5 ; XVIII , 6 ; XX , 3 , en elders. Een voorbeeld der benaming van Heer door SARA omtrent ABRAHAM gbezigd vindt men Gen. XVIII , 12. Verwomlerlijk schoon teekent MOZES , met een cnkel woord , de karakteis der personen , wclke h^j sptekende mvoert! ( '44 ) Ook de eerstgenoemde Apostcl ontleend zijne he- weegredenen uit het eerste geschiedboek van MOZES , hetwelk dcze ten grondslag voor zijn \vetboek legde. Dezelfde les toch schijnt MOZES , Gen. Ill, i6 b , de Israeli tische vrouwen te heb- ben willen insclicrpen door zijn verhaali dat God , na de overtreding van bet bevel om van den verboden boom niet te eten, aan devrouw, onder anderen gezegd had : en voor den man zal uwe dienstvaardigheid zijn (r), en hij zal over u heerschappij hebben. [volgens de over- zetting van den Hoogleeraar VAN DER PALM, Aviens aanmerking bier dient vergeleken te worden], Zoo wordt elders eene drangreden uit MOZES \vetboek ontleend om de zelfwraak tegen te gaan. De Goddelijke uitspraak : My is de wraak en het vergelden , door MOZES , aange- voerd, in zijn lied, Deut. XXX, 1 1 , 35 , neemt PAULUS over Rom. XII ', 19. Hij wil daar, dat de onderdrukten onder bet oog houden , dat God zicli . de wvaak over bet onregt zij- ncn vereerderen aangedaan, voorbebouden b'eeft, en men dus niet op den Goddelijken Regterstoel zicb zetten mag of wraak uitoefenen over zij- (r) In dczen zin vat oak DE GROOT de woorclen : P* Vergelijk zyne uaiimerking op deicplaats, en di C die aanhaling uit Dent, \vordl bijgefcragt en loe- gelieht. ( '46 ) wet, bovenal op de reiniging ran deze broa der oodeugd a an. Vanhierdat JEZUS voIgensMath. XV, 7,8 en II, 16 20, met terugwijzing "op de leer ran Jezus , aantoonde dat niets den mensch zedelijk verontreinigd , dan het geen uit het hart uit goat (u); verg. Math. VII, 6, i5, 16, 18 2?. Van hier dat Hij , volgens Math: VII ,18, het hart vcrgelijkt met eenen boom , die naar mate hij goed ofkwaad is , cob goede en kwade vruch- ten voortbrengt. Van hier de zaligsprekingen des Heilands , Math. V, 3 i 2 , waar mede Hij op het hart zocht te werken en hetzelve te reiriigen van booze neigingen en met edele hocdanigheden ta bezielen (v) 5 om nu van andere plaatsen te vo- ren reeds aangehaald , als Rom. VII > 7 5 2 Car. VII ,1 en dergelijke, niet te gewagen. DER- (tl) Zie ) Men houde wel onder het oog, cUt in deze zaTigsprelcingea gedarij;e zinspelingen zi;n ep gezegdens der oude Profeten , die met den geest der Mozaische Wet doordrongen waren , of op derzelver gedmg wordt gedoeld. Men vergeliike hier wederom HEIUKGA'S Vcr+> klaring der Bergrede van JEZUS, en de plaalsen aldaar bijgebragt, J. LXVI , 2. Ps, XXXVII ,11,18; verg, 9 , 10 , ao , aa , 28, 9, Ps. XXIV , i ; LXXIII , a , waarbij nog aoa kunuen grwwgi c, XL I , a 4 , btuereai aodert. DERDE DEEL* BEPALING DER GRENZEN , BINNEN WELKE HET BEVOELDE GEZAG DER MOZAISCHE WETTLN , /2V EENE CHRISTELUKE M AATSCH APPU > MOST GEACI1T WORSEN BEPERKT TS ZUN. Il a dat wijj in het Eerste Deel dezer Verlian- deling, de Goddelijke wetten , door MOZES aan het Israelitische volk gegeven , zelve in betrek- tot hare bijzondere bedoeling en verscliil- n aart , van nabij hebben gadegeslagen , en vervolgens in liet' tweede gedeelte, de uitspraak van JEZUS en zijne Apostelen 5 aangaande Let gezag dier wetten in het Christendom vernpmen, en op het zedelijk gebruik door hen , van de- zelve gemaakt, gelet hebben, kunnen-wij nu gevoegelijk het besluit opmaken , ter bepaling van het gezag , ter beslissing van het geen zede- lijk goed en kwaad regt en onregt is, in eene maatschappij van Christenen, hetwelk aandeze wetten toekomt. Dat zoodanig zedelijk gezag, in het Christen., dom, aan dezelve moet worden toegekend, is eene vooronderstelling , welke duidelijk in de vraag des Zeeuwschen Genootschaps ligt opgesloten ; dit wordt zoo uitdrukkelijk , gelijk w^ zagcn, dooi; ( 48) \ door den Zaligmaker en zijne afgezanten beves- tigd on vloeit zoo natuurlijk voort uit den He- rheischen oorsprong , de bijzondere en algemeene zedelijke bedoelingen en slrekking dezer wetge- ving, dat hier otntrent, mijns bedunkens, geen de minste tvvijfel overig blijven kan. Maar van welken aart is nu dit zedelijk gezag dezer wet- ten? Hoe verre strekt bet zich uit? Dit is ei- genlijk het raadsel , 'twelk ten slotte thans^be- hoort te worden opgelost. Daar het wctboek yanMozES eigenlrjk sleclits een Israelitisr.li wetboek is , en als zoadanig de Christenen niet verbindt , gelijk , door de Apos- tolisclie leer, tegen anders dcnkenden, met de overtuJgendste redenen , in bet beiderste dagliclit is gesteld , zoo scliijnt bet, in den eersten op- slag, vreemd, dat nogtbans door JEZUS en zijne Apostelen , van deze oude Joodscbe wet , bij hun zedelijk onderwijs zoo veel gebrurk is gemaakt, en aan bet Gbristendoni ztilke booge gevoelens Van derzelver voorCdurend gezag in de zedelijke wereld worden ingeboezemd. Dit gezag rnoet beboorlijk worden bepaald en in zijnen aard ontvouwd , zal men in geene bngerrjmdbedcn vervallen , geene verkeerde toepassing van de Mozaiscbe wetten , op onze Cbristelijke maat- scbappijen makcn , en geene aanleiding gevcn 7 om ( '49 ) om dc zoo schoon zumenhangende evangelische leer van tegenstrijdigheid verdacht te houden. Dit gevoolde ongelwljfeld liet Zeeuwsche Genoot- scliap en keurde gevolgelrjk de vraag : Wells ge- zag behoort men toe te ken?ien t aan de Godde~ wetten , door Mozes aan het Israelitische gegeven , ter beslissing van het geen zede- li/Js goed of kwaad , regt of onregt is , in eene maatychappi/ van Christenen , der opzettelijke overweging ten hoogste waardig. Bij gebrek van eene belioorlijke onderscliei- ding , van liet geen in deze wetten , voor eene Christelijke maatscliappij , Lruikbaar is of niet , heeft men dikwijls, op eene onredelijke wijze voor het gezag dezer wetten geijverd. Men heeft Leweerd , dat zij als van God herkomstig , de beste waren 3 die gegeven konden worden , en gevolgelijk MOZES burgerlijke wetten , ofsclioon zij geeneGhristelijke Overheid verbonden , ech- ter als de tvijste en besfe, zoo veel mogelijk , moesten worden nagevolgd, en bij voorkeur, boven Heidensclie wetten , ingevoerd. Deze stelling loopt heimelijk aan tegen de uitdrukkelijke leer van PAUIATS , welke wij in het vorige deel dezer Vcrhandeling overwogen : dat geen Christen verpligt is , de Israelitische; volks- ( iSo ) Tolkswet op te volgen , en het tegenovergestel- de te beweren , eene schadelijke dwaling zij. VVelke ongerijmde gevolgen sleep t deze zclide stelling na zicli , wanneei 1 zij wordt tocgcpast op zoodanige wetten , als die de veelwijverij en de cclitscheiding , zoo dikwijlsde man eenentegen- zin in zijne vrouw gevoelt, veroorloven ; rent- hefling bij landgenoten verbicden, den staat al- leenlijk op den akkerbotiw gronden , de onver- Treemdbaarheid der akkers handhaven. Kort-* om op wetten , die voor de Israeli ten, in hunnen Toormaligen toestand , allergescliiktst waren , doca bij andere volken, door wijzere en betere Itunnen vervangen worden. De Mozaische wetgeving schikte zich wijsselrjlt Haar de omstandiglieden , waarin bet oude Isra^- litiscbe volk verkeerde, naar de bemelstreek, onder welke betzelve leefde ; de vruchtbaarbeid en ligging des lands , dat dit volk bewoonde, de magt en staatkundige betrekking der nabu- yen, de bijzondere leyenswijza 7 uit den lieer- Bchenden akkerbouw voortvloeijende. Van bier let verbod der rentlieffing , dat voor geen ban- deldrijvend volk gescbikt zoude zijn. De na luurscbap der Tijriers en Sijdoniers, welke Ian- gen tijd| de grootste zoo niet eenige zccmagt moesten heeten , maakte den zeevarendenhandel, voor de Israeliten onnoodig. De ligging des Is- raelitischen lands was zoodanig , dat de inwoners door deze naburen, die koren en wijn bij hen zocliten , en door de Karavanen van kooplieden die uit Asie en Afrika reisden , en hun anders voortbrengsels der natuur afnamen , Imnne wa- ren gemakkelijk slijten konden > ofschoon zij zelve den handei niet dreven. De groote vrucht- baarlieid van den Israeli tischen grond, leverda zulk eenen overvloed van veldgewassen op, dat de opbreng^t van verschillende tienden voor de Leviten, voor de OfTermaaltijden, en in lateren tijd , ook voor den Koning T geen ondragelijk be- zwaar kon veroorzaken. Eindelijk was de He- melstreek zoo heet ? dat de dronkenschap onder dezelve , de verschrikkelijkste gevolgen had , en dus met zwaarder straffen , dan elders, moest worden beteogeld. Wegens deze heete luclit- treek kon ook het verbod van op den Rustdag Tuur aan te steken, aldaar zonder nadeel wor- den gedaan : insgelijks het verbod van op dien dag spijze te bereiden en te koken, dewijlmea* wegens de hitte des daags , eerst des avonds de Iioofdmaaltijd had; en dus desmiddags, voor den Rustdag, die met zonnen-ondergaug aan- ving , het noodige bereiden kon voor een avond- maal, ( 5a) maal, hotwelk den Sabbath tot eenen verkwilc- kelijken feestdag maakte. Ook is Let weder in Palestina , ten tijde yan den oogst zoo bnsten- dig, dat, hctgeen in onze noordelijke landen, sointijds niet zond'er groote schade, kanworden nagelaten, het oogsten op den gewijdden Rust, dag aldaar, zonder vices voor sclrade, kon ver Loden worden. Dit alles werd , in d'e bijzon- dere wetten van MOZES , waarop ik liier doel , in acht genomen. Zoo vlocide de instelling van de onvervreemdbaarlieid der akkers voort nit de wrjze , waarop de Israelitisclie staat gegrond word: uit de inneming des voorheen reeds ge- touwden lands , door zulk een groot volk , uit de verdelging der oude bewoners en uitdedaardoau veroorzaakte mogelijkheid eener getijke verdee- ling der akkers onder de overwinnaars , welke olle hardlieid bij zoodanige instelling uit denwcg ruimden. Andere wetten waren ingerigt naar een bijzonder gcvoel van eer en scliande , bij de Israeliten heerschende , bij voorbeeld : die welke de bloedwraak betrefFen. Andere werdcn nood- zakelijk gemaakt, wegens Imnr.e mecrdere of mindere gevoeligheid voor de eene of andere strafj zoo dat, bij voorbeeld, bij hen , slagen ten afschrik raoesten dienen , alwaar , bij eea an- ander Volk, minder tot stil zitten geneigd, ge ' vangenis hiertoe voldoende zou zijn. Zoo zijn er ook die uit de bijzondere zeden des volks , de bij lien heerscliende misdaden en derzelver drijf- vederen en uit hunne landziekten haren oor- sprong ontleenen, doch bij welk ik nu niet Ian- ger stilsta (w). Het gczegde dient overvloedig , om den op- lettenden te overtuigen , dat men niet , zonder- de grootste ongcrijmdheid , vele Mozaische wet- ten zoude kunnen invoeren , in anderc , en wel vooral in onze hedendaagsclie Cliristeiijke maatschappijen , wier toestand zoo onbereken- baar veel verscliilt van dien des ouden volks , aan liet welk Mozs zijne wetten gaf. Hieruit volgt tevens de noodzakelijkheid eener behoed- zame en juiste bepaling van het eigenlijk gezag, dat volgens de Apostolische leer, en den aard dcr zaken, ter beslissing van het geen zedelijk goed en kwaad, regt en onrcgt is , in eene Christelijkc maatschappij , aan deze wetten moet worden toegekend. % Dat dit gezag zeer verschillend moet zijn , naar gelang der verschillen soorten a van wetten, die * in (>) Men vergelljke J. D. MICHACLIS . Mos. Recht , % Th. J3inl, 6, $8 enhetboven verlwndelde , J.D. II. AfiLU.euJII. HoofdJt- in het eerste deel dezer Verb an del ing zijn atn- gewezen, valt al aanstonds in het oog, Het zal dan noodig zijn -. voor eerst onzen aan- dacht te vestigen, op dien onderscheidenen aard van het zedelijk gezag clat aan verscliillende soortcn der Mozaische wetten , in eene Christen maatschapplj , moet worden toegeschreven en vervolgens dit gezag, in eenige bijzonderhedeni nadcr te bepalen. EERSTE AFDEELING. Het bedoelde gezag dsr JUozaischs wetten in eene Christeli/ke Maatschappif y is zeer ver- schillend , naar den byzondsren aard der verschillende wetten. W ij hebben boven reeds gezien , hoe men d wetten van MOZES gevoegclijk schiften' kan ia plaatsclijke voorschriften , tijdelijke verorde ningen, wetten naar de bijzondere behoeften der Israeliten geschikt , en zedelijke bevelen , welke voor alle tijden , volken en menschen, gelden. Uit deze onderscheiding vloeit voort, dat som- mige dezer \vetten, zoo.als zij daar liggen, in eene maatschappij van Christenen* onmiddelijk jkracht van wet en het hoogste gezag hebben ; an- ( '55 ) ndere wederom niet dan in somrnige ornstan- digbeden, metwijze voorzi^igbeid, verdienen te worden nagevolgd , of sledits eencn zLjdeling- scberi invloed op Let zedebcstuur en de regts-*- bepaling , in eenen Christelijken staat beliooren uit te oefenen ; andere daarentegen voor s den- zelven van geen de minste toepassing zijn. Het zal van aanbelang zijn deze denkbeelden hier naauwkeurig te ontwikkelen. EERSTE HOOFDSTUK. jfanwzfzing van het gezag , het welk ctan d* cdgemeen geldende zedelyke bevelen , u>elk* sommige wetten van MOZES behelzen , in eene Christ eli/ke maatschappy , moet worden toegekend. El? is eene wet in de barten van alle mcnschcn ingeplant , door den Vadcr der Geesten : wiens wil volmaakt wijs, Leiiig en goed is, Zij sclirijA alien zonder ondersclieid 9 liunne pligten voor, die uit liunne betrekking op den oorsprong van liun bestaan en van alles goeds en uit de ver- Lindtenis , waarin zij staan tot liunne natuur-" genoten , overal gelijkelijk voortvloeijen. Zij leert tevens eenen ieder, wat bij aan zicbzelvon scbuldig is uit eerbied voor zijnen Scbepper ea Ur : ( 1 56 ) ter bevordering van zijn eigen geluk. Zij is de toetstccn van regt endcugd, van alles wat zede- lijk goed en sclioon , welvoegclijk , liefelrjk en edel is. Ofsclioon deze wet zoo wel het cleel is van den eenvoudigen , zoo hij slechts met rede- lijke vermogens is Legaafd, als van den verlich- sten wijsgeer, zoo wel van den braven als van den ondeugenden , laat zij zich ecliter des te lui- der in Let binnenste hoof en , naar mate het ver- stand minder door dwalingen is Ledwelmd , het hart minder door onreine driften en neigingen bezoeteld. Hare regte kennis en Lelracliling, staat in het naauwste verband met de zuivere kennis des Onzienlijken Opperwezens, wiens deugden ten vlekkeloozen voorLeelde ? en wiens wil en bestuur ter aansporing en aanmoediging tengoede , ter afschrikking en nederhouding vaa het kwade dienen moeten. Waar deze zuivere kennis der Godlieid verloren gaatj daar nemen Woeste hegeerten de overhand , daar word?t de- ze natnurwet op het jammerlijkst verduisterd, op het deerlijkst geschonden. Een diep verval van zeden , herokkend aldaar , steeds toenemend onheil, verderf en ondergang. Zoodanige on- kunde en zedeloosheid had, volgens de oudste oorkonden des Bijhels , i-eeds vroeg , hijna een geheel menschen-geslacht zoo zeer verpest, dat de ( '57 ) de Opperbeer der werelcl , naar Zijne ondoor-c grondelijke wijsheid, eene algeineene yerdelging over hen Lesloot. Doch Jiet bebaagde Hem te- vens, volgens Zijne gadelooze ontferming ? de krachtdadigste middeleu te beramen , om rede- lijke denkbeelden , aangaande de Godheid en de regte wijze van Haar te vereeren door reine dcugdbetracbting , onder liet nakroost van den vromen NOACH , die, als eene beldere "star , in de duisternis, met zijn gezin was gespaard, te Lewaren , te vermeerderen en te verspreiden. Van hier, in vervolg van tijd , de roeping van ABRAHAM tiit Mesopotamia naar Canaan , en de buitengewone leiding en vorfning van dezen beld des geloofs, der godsvruclit en der deiigd: boedanige leiding ook aan ISAAC 9 JACOB en JOSEF zoo verwonderlijk ten deele viel , en die zulk eenen beslissenden fnvloed had opdegods- dicnstige en zedelijke opvoeding van bet ganscbe stambuis van dezen gunsteling des eenigen wa- ren Gods. Hct zclfde Goddelijke doel straalt door in de lotgevalien van MOZES ? dien uitste kendcn leidsman en wetgever der Israeliten , en in bunne wonderdadige verlossing door bem , nit de Egijptiscbe slavernij. En bet was met dezelfde bedoeling , ter handbaving der zaak van ecble Godsdienst en goede zeden , dat God, met deze a&tammelingen van ABRAHAMT, ceuwiglijk zulk een bijzonder volksverdrag aan- ging bij de wetgeving op Sinai , als Loven ia bet breede is ontvouwd (x). Door deze buitengewone inrigting word een gansch volk bij uitstekehdheid dicnstbaar aan de verre uitziende oogmerken des Alwijzen , om met de kennis van Hera en Zijne dienst , die Van de zuivere zedenwet , onder bet menscli- dom levendig te houden , aan te k week en , hoe langs hoe meer optehelderen en uitte breiden. Uit dit oogpunt inoeten wij de zedelijke voor- schriften en de wet ten van MOZES , zoo over- vloedig voor hanclen , beschouwen , om over derzelver bijzonderen aard en het gezag, dat hun , in eene Christelijke maatscliappij , toe- komt, wel te oordeelen. Het zijn algemeen gel- dende voorschrif ten , die niet slechts op de na- tuurwet ten duidelijkste gegrorid zijn , maar ook, met het baarblijkelijk doel ter handhaving van de regten van godsdienst en deugd op de "Wereld , door den Scliepper onzer natuur , den Vader des ganschen mensclidoms , in de grond- Wet des aan Hem ge wij den volks zijn afgekon- digd, en onder zijnen irivloed, door MOZES, in het () I. D. L JJO. I. B II. Ho*fdit het Israglitisch wetboek overal ingewevcn. De- 3te zedelijke bevelen dus , die als loulere natuur- wetten , tot welker onderhouding alle menscheo even zeer verpligt zijn, reeds uit haren eigenen aard , een onmiddelijk verbindend gezag, in eene maatschappij van Cliristenen bezitten , ontlee- en nog hooger aanzien van haren Goddelijken oorsprong en het verheven doel 3 waartoe zij van Godswege , den Israehten gegeven zijn. Of le- vert deze Goddelijke oorsprong geenen waarborg op voor de onfeilbaarhcid der zedelijke grond-^ beginsels door deze Mozaische wetten ingeboe-' zemd ? W ie kende de wet der natuur en derzel- Yer drijfvederen zoo juist, als Hij , die des men- schen geest in zijn binnenste vormde? En op welkenWetgever kan men zich veiligerverlaten dan op den Heiligen en Volmaakten , die , ook in het geven Zijner wetten , Zijne deugden niet verlochenen kan ? Menschelijke zedeleer moge dikwijls falen , op bedriegelijke gronden ge bouwd wordeu , op verscliillende en geheel te^> genstrijdige wijze, door verscliillende wijsgee^ ren en zedeleeraars worden -voorgesteld ; zij mogen soms maar al te duidelijke kenmerken dragen van de kortzigtigheid van het verstand en derzeiver verbasteiing van het hart zeifs der Toortreffelijkste zedemeesters ; geene dooling^ geene misvatting > geen twijfel , geen vlelc van dien aard kan men, of laat mij liever zeggen* mag men vooronderstellen in de Goddelijke ze dewetlen , door MOZES beschrcven , wanneer men ecus van derzelver hemelschen oorsprong overtuigd is. En liadden deze wetten niet slechts de zedelijke beschaving der Israeliten, maarook langs dezen weg , die van de overige volken der aarde ten doel ; welk een hoog gezag en verhe- ven aanzien beliooren zij dan niet , in eene Chris- telijke maatschappij te hebben ? Ofschoon zij uit liaren eigenen aard reeds zoo veel eerbied waardig zijn ? vereischen zij daar en boven een onbepaald vertrouwen, dc diepste boogacliting en onderwerping , als algemeene grondslagen van zedelijkheid, op welke de sternpel der God- delijke goedk curing is gedrukt, en die, ook als Goddelijke bevelen , genoegzaam onmiddelijk , liet Christendom raken. En dat zij ook als zoo- danigc, door JE^US en zijne Aposte]en werden Leschouwd , blijkt duidelijk uit hunne boven- aangehaalde verklaringen omtrent bet gezag de- zer wetten , en uit bet gebruik ? hetwelk zij er van maakten , als van Godspraken , wel in de eerste plaats tot de oude Israeliten gerigt, maar tevens ook regtstreeks bet gansche menschdom LetrefFende. Zulk (id) Zulk ccn uitgebreid gezag , van dien Godde- iijken aard en oorsprong, van dien regtstreek- schen invloed op de regts- en zedelecr , moet dan aan de wet der Tien Gcbodcn, en aan zoo vole andere wetten, die, gcKjk wij te voren zagen , algemeen geldende zedelijke Levelen bevatten , ofschoon zij den Israeliten met een bijzonder oogmerk gcgeven zijn , in eene Maatschappij Vfcn Cliristenen worden toegekend. TWEEDE HOOFDSTUK. Onderzoek naar den brjzonderen aard van het zedeli/k gezag , hetwelk aan de overig& wetten van MozEs toekomt. V an eenen gelieel verschillenden aard is liet ge- zag dier Mozaische wetten y welke naar de bij- zondere belioeften des Ouden Israelitiscben volks \varen ingerigt, enuit hunne bijzondere betrek- kingen en de omstandigbeden 7 waarin zij op Verscbillende tijden en plaatsen verkeerden, voortvloeiden ; kortom , die slechts tijdelijke , plaatselijke ? nationale verordeningen bevatten. Voorbeelden der wetten van deze soort zijn in bet I. Deel dezer Verbandeling reeds aange- voerd, en ter opheldering van derzelver aard is, dunkt mij, voldoende hetgeen ik aldaar en li. ( Ifc ) aan bet hoofd van dit III. Deel beb opgeinerkt. Het is nu slechts de vraag : hoedanigen invloed dezelve bebooren uit te oefenen , onder Chris- tenen op hunne zedeleer en wetgeving ? Er zijn onder deze soort eenige , welke zoo duidelijk sleclits voor rcnen bepaalden tijd gel- den , of in Let Joodsche land of in de Arabische woestijn eeniglijk te buis belioorcn , dat bet on- gerijmd zoude zijn , een oogenblik te twijfe- len , of zij elders met gebeel onbruikbaar zouden zijn. Ook zijn er , die blijkbaar zoo geheel onaf- scbeidelijk met de oude gescbiedenis der Israe- liten zamenbangen,, dat niemand ligt in verzoe- king zal geraken , om dezelve ooit eenigzins op eene andere maatscbappij toe te passen. Dan er .zijn andere , x die somtijds met vrucht zouden kunnen worden overgenomen of nagevolgd , en ten voorbeeld of ter leering dienen. Bepalen wij bij deze onze aandacht. Beze wetten zijn van dien aard , dat zij niet zoo gebeel eeniglijk voor den toestand derlsrae- liten, in vorige tijden, voegen , of er kunnen pokbrj andere volken en 'in andere tijden, soort- gelijke omstandigbeden plaats vinden, op welke dezelfde grondregels van regt of zedelijkheid moeten worden toegepast, fiel ('63) i Hetis wel zoo, dat deze Israelitische volfcs- wetten voor geene Christen maatschappij ver- bindend zijn. Dit zijn tij cvcnmiri , als de wet- ten van Solon, van Lijcurgus ofdeRomeinsche , voor andere" volken en staten , dan voor welke zij eigenlijk gegeven zijn, verpiigtend kunnen gerekerid word.cn. En deze aanmerking goldt, niet slechts voor deze soort van wetten , welke wij thans beschouwen , maar voor he I gansche wetboek van MOZES. Want , ofschoon wij in hetzelve meer algemeen geldende zedelijke voor- schriften , van andere, meer nationale, duidc- lijkheidshalve , ter ophelderi